Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lezer zal misschien reeds bemerkt hebben, dat de tegenstelling: eenheid of scheiding, in den zin, waarin ik haar voortaan zal bezigen, samenvalt met die, welke de rechtspersoonlijkheid van Staat, Rijk en koloniën betrett. Ook zal het hem niet zijn ontgaan, dat de beteekenis, die sub 1A. aan bedoelde tegenstelling wordt gegeven, identisch is met het vraagstuk der finantieele verhouding tusschen moederland en koloniën. Is er scheiding? Voorzien de koloniale middelen uitsluitend en geheel in de koloniale behoeften ? — Is er eenheid ? Voorzien de koloniale middelen ook wel eens in behoeften des Rijks en omgekeerd? De vragen zijn gelijkwaardig.

De zoogenaamde eereschuld-nota van minister Idenburg 1), die nader ter sprake komt in hoofdstuk VII, houdt de beide beteekenissen van „eenheid en scheiding van financiën" scherp uiteen. Alleen is het te betreuren, dat het eerste hoofdstuk der nota, waar juist de vraag: afzonderlijke vermogens of onzelfstandige deelen van één vermogen, aan de orde is, het opschrift voert: „Verhouding tusschen de financiën van Nederland en Indië" ; immers wordt hieronder in den regel de eenheid of scheiding in administratieven zin verstaan, dienen deze woorden als etiket bij de behandeling van de politieke vragen, die zich aan bijdrage, subsidie, restitutie en dergelijke vastknoopen. Intusschen is, door hetgeen volgt, volkomen duidelijk, wat de minister in dit hoofdstuk behandelen wil: onze rechtsvraag. Wij zien toch, dat de eereschuld, de hoofdphase, waarin de finantieele verhouding — genomen in den gebruikelijken zin van het woord — zich als gevolg van de batigslot-politiek aan het tegenwoordige geslacht vertoont, in een volgend hoofdstuk der nota, onder het voorzichtige opschrift: „Beweerde verplichting tot afrekening" is onder dak gebracht. Wij bepalen ons voor ons doel hier tot dat gedeelte van het eerste hoofdstuk, waarin met groote scherpte de rechtsvraag aangaande de rechtspersoonlijkheid van Indië gescheiden wordt van alle politieke quaestiën nopens de finantieele verhouding tusschen moederland en kolonie.

De minister betoogt het volgende:

„1. Ten opzichte van de verhouding tusschen de financiën „van Nederland en Indië bestaan twee meeningen, die hun

') Bijlagen 1902/1903, n°. 6, 1.

Sluiten