Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, of de eventueele veroveraar ons zal gelooven, als wij betoogen, dat een deel onzer schuld voor de kolonie is aangegaan en dus moet worden overgenomen.

Men is, wanneer men zoo redeneert, niet egoïstisch. Het is niet anders dan rechtvaardigheid jegens ons zeiven, wanneer wij trachten te voorkomen, dat schulden, voor anderen aangegaan, waardoor onze toestand niet is verbeterd, ten slotte door ons zouden worden betaald. Om deze reden is het mij met recht duidelijk, waarom mr. D. Fock in het debat, dat zich naar aanleiding van de rede van mr. De Meester over koloniale leeningen, den llde" April 1905 in het Indisch Genootschap gehouden, ontspon, tegen dit argument ten gunste van koloniale leeningen wenschte protest aan te teekenen1). De onderstelling is onaangenaam, om geen sterker uitdrukking te bezigen. Maar een motief, waarvoor het moederland zich heeft te schamen, kan ik niet vinden.

Om deze redenen: grootere zelfstandigheid voor de koloniën, rechtvaardigheid tegenover deze en het moederland bij haar mogelijk verlies, — is de rechtspersoonlijkheid der koloniën een vraag van praktisch gewicht, die den staatsman even weinig als den jurist met rust mag laten, vóór zij beantwoord is.

Staat eenmaal de rechtspersoonlijkheid der koloniën en daarmede de mogelijkheid van koloniale leeningen vast, dan blijft de vraag naar de doelmatigheid van zulke leeningen nog open. Het is met betrekking tot Nederlandsch-Indië reeds herhaaldelijk bij de behandeling van de Indische begrooting betoogd, dat de zoogenaamde „Staatsspoorwegen een bijzonder geschikt middel zouden zijn om voor dergelijke leening het zakelijk onderpand te bieden. Maar wil men hiertoe overgaan, dan moet toch eerst de vraag, of Indië rechtspersoonlijkheid heeft, beantwoord wezen.

Al ligt het voor de hand, dat het grootste deel van dit geschrift gewijd zal zijn aan de vraag, of Nederlandsch-Indië rechtspersoonlijkheid heeft,— zijn opschrift geeft reeds te kennen, dat het ook de Westindische koloniën wil omvatten. Wel is

') Verslagen der Algemeene Vergaderingen 1905, blz. 184.

Sluiten