Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij niet gebleken, dat ten aanzien van de laatsten de rechtspersoonlijkheid in ernst is in twijfel getrokken: toch mochten Suriname en Cura9ao niet stilzwijgend worden voorbijgegaan. Immers, één ding staat vast: wanneer Suriname en Curagao rechtspersonen zijn naar het publieke recht; wanneer deze toestand zich met onze Grondwet zeer wel verdraagt, dan kan men niet, metende met twee maten, gaan beweren dat artikel 1 of eenig ander artikel der Grondwet ten aanzien van Nederlandsch-lndiè de finantieele eenheid vestigen, met andere woorden: aan Nederlandscli-Indiè rechtspersoonlijkheid ontzeggen zou. Of zou het waar zijn, dat de Grondwet, als zij spreekt van „koloniën en bezittingen in andere werelddeelen,' ') door den verschillenden naam verschil in wezen heeft willen uitdrukken, zoodat zij, met het woord „koloniën" doelende op West-Indië, een anderen rechtsband heeft willen vestigen tusschen den Staat der Nederlanden en SurinameCura9ao, dan met betrekking tot de „bezitting" Nederlandsch-Indië?

Wil men op deze wijze het argument van artikel 1 der Grondwet trachten te redden, zoo is er niet veel toe noodig, om aan te toonen, dat die poging vruchteloos zijn zal.

Artikel 231 der Staatsregeling van 1798 vangt aldus aan: „De „betrekkingen der Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën van „de Bataatsche Republiek, in de beide Indien, tot het Moederhand zullen op den thands nog plaats hebbende voet blijven"

') Men mag, blijkens het in de tweede kamer voorgevallene bij de beraadslaging over artikel 3 van de wet op liet nederlanderschap en ingezetenschap (Staatsblad 1892, n". 268) ook spreken van koloniën en bezittingen in „andere werelddeelen, al is ,.Europa" niet te voren genoemd. De heer Van der Kaay gat de voorkeur aan de redactie van artikel 12 van het ontwerp, waar de woorden „des Rijks" ontbraken, zich beroepende op artikel 1 van de Grondwet. Minister Smidt verklaarde, dat in artikel 12 een laixus calami had plaats gevonden en wilde de zegswijze „Koloniën en bezittingen des Rijks" behouden. Er was daarbij niet van Europa sprake en men kon dus ook niet van „andere' werelddeelen gewagen. Ik meen, dat mr. V as' dhr Kaay gelijk had. Had mr. Smidt wel de artikelen 61 eerste lid, 75 eerste lid en 122 der Grondwet voor oogen? Ook daar wordt Europa niet uitdrukkelijk genoemd. Is men er van doordrongen, dat „Rijk" maar één beteekenis kan hebben, zoo heeft men geen bezwaar meer, om van „andere' werelddeelen te gewagen, ook al is van Europa niet uitdrukkelijk de rede. (Zie de handelingen der tweede kamer 1892/1893, blz. 120, 128, 129)

Sluiten