Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

De leer van de eenheid der financiën.

§ 1. De eenheid der financiën in het parlement.

Bij het zoeken naar bewijzen voor de juistheid der theorie, dat de financiën van Rijk en koloniën één zijn, gaan wij terug tot de Staatsregeling van 1798 '), waar wij in Titul IV: „Van het Uitvoerend Bewindartikel 129 lid 1, lezen:

„Het (Uitvoerend Bewind) heeft de beheering van alle de „Goederen en Bezittingen der Republiek, gelijk mede over „haare buitenlandsche Etablissementen en Coloniën, en derwelver inwendig bestuur. Het draagt zorg, dat de jaarlijksche inkomsten van alle dezelve verzekerd, en in de Nationale „kas gestort worden."

Hier worden dus de inkomsten, die uit de koloniën betrokken worden, tot nationale gestempeld, waaruit men zou kunnen afleiden, dat de koloniën eigen inkomsten missen.

In Titul VII: „ Van de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën der Republiek, en van derzelver bestuur hier te Lande" vinden wij een bepaling, die veel heelt van een profetie en aldus luidt: „Bij aldien er een zuiver overschot, na aftrek van het„geen voor het volgend jaar nodig zal zijn, plaats heeft,

') Verder teruggaan is niet noodig, zie boven blz. 21. Ik deel hier de opvatting van Laband, die voor vragen van liedendaagsch recht van zulke onderzoekingen, hoe belangrijk uit historisch oogpunt ook, weinig of geen licht verwacht (Staatsrecht des Deutsclien Reiches, i' Auflage, I blz. 9, noot 1).

Sluiten