Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Intusschen de wet van April 1836 had eene goede zijde, „die althans bij mij voor de aanneming beslissend was. Ik „bedoel het met gemeen overleg vastzetten van een gedeelte „der inkomsten van onze Oost-Indische bezittingen, en het „zoo doende aanvankelijk terugkeeren tot het grondwettig „beginsel, dat de volkplantingen zijn het eigendom van den „Staat *), en dat dus over derzelver baten, ten behoeve van „het moederland, zonder toestemming der Staten-Generaal, „niet mag worden beschikt."

Bij de beraadslaging in de afdeelingen over de middelenwet voor 1838 wordt andermaal de vraag behandeld aangaande het karakter der koloniale inkomsten. Wij lezen, dat in de „zitting" van de Derde Afdeeling van 24 October 1837 2) het volgende werd opgemerkt: „De bepalingen van de Grondwet komen aan die „leden daarenboven zoo duidelijk voor, dat er bij hen geen twijfel „bestaat over de vraag, of de Oost-Indische geldmiddelen, die „niets anders zijn dan geldmiddelen van den Staat, als zoodanig te hunner kennisse en beoordeeling moeten worden „gebragt, al dan niet. — De Grondwet wil, dat alle de uitgaven en alle de ontvangsten voor en van het Rijk op de „begrooting zullen voorkomen. Daardoor alléén zijn de Staten„Generaal in staat, behoorlijk aan hun mandaat te voldoen „bij de overweging der financiële belangen van het volk, „dat Zij vertegenwoordigen."

In het Proces-Verbaal der Vierde Afdeeling *) wordt onomwonden verklaard „ .. • . nu evenwel op nieuw onder de middelen wordt gerangschikt eene uitkeering van ƒ1,200,000 uit „de geldmiddelen van de overzeesche bezittingen, achten zich „eenige leden dezer Afdeeling verpligt aan de Regering te „kennen te geven, dat, naar hun gevoelen, alle de baten van „de overzeesche bezittingen zijn eigendommen van den Staat, „en dat als zoodanig geene bepaalde uitkeering, maar het ge„heele overschot van de geldmiddelen der overzeesche bezittingen op de begrooting van ontvangsten moet worden gebragt j „dat dit gevoelen door de Regering zelt op den voorgrond

') Dus niet het eigendom des Konings.

*) Bijlagen 1837/1838, blz. 81.

a) Onder het hoofd: „Uitkeering uit de overzeesche bezittingen" Bijlagen 1837/1838, blz 83.

Sluiten