Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is dit het hoofdpunt van verschil, nog in een ander opzicht meen ik met mr. Van Hall van meening te moeten verschillen. Wanneer hij nadrukkelijk zegt: „die reflectie, welke ik maak, „is geen reflectie van bloote uitdrukking, maar van ƒ9.800.000, „want indien de post niet op ons budget blijft staan, wordt „het van 90 op 80 millioen gebragt", dan is dat eigenlijk maar half waar; alleen juist, wanneer een voorwaarde vervuld wordt, die Van Hall niet noemt, en die streed met de strekking der toenmalige koloniale politiek. Bestaat die schuld niet,

zoo komen f 9.800.000 vrij om met datzelfde

bedrag het batig slot te vermeerderen en „ons" budget te laten zoo hoog als het is, tenzij — dit is de verzwegen voorwaarde — die som worde besteed ter voorziening in Indische behoeften: alleen dan daalt ons budget met haar bedrag. Het is niet aan te nemen, dat dit Van Hall zou zijn ontgaan; veeleer schrijf ik die passage, met hoeveel aplomb ook voorgedragen, aan een vergissing toe. Al dat geredeneer over het „fictieve" van dien rentepost vindt zijn verklaring in hetgeen ik boven noemde; men zag, dat de vaste bijdrage de wisselende met gelijk bedrag verminderde, en mengde het oeconomische en het juridische element dooreen, voorbijziende dat een oeconomische fictie nog geen juridische behoeft te zijn.

Ik keer terug tot de beraadslaging over de middelenwet voor 1860, en nu is het bijna grappig te zien, hoe dr. W. R. Baron van Hoëvell, blijkbaar onbewust uitgaande van een geheel tegengestelde praemisse, tot dezelfde conclusie komt: „Maar1), „zegt hij" (Van Hall), „nu moge dit eene waarheid zijn, aan „den anderen kant blijft de begrooting onwaar, omdat men „nog altijd die f 9.800.000 daarop brengt voor de rentebetaling „der Indische schuld, 't Is verkeerd, meent hij, altoos te spreken „van eene oude Indische schuld. Ik geloof dat hij in dit laatste „opzigt gelijk heeft. Ik geloof dat die schuld door Indië reeds „lang is betaald; als men de rekening opmaakte, zouden de „millioenen schats, die Indië in de laatste jaren heeft afgeworpen, voorzeker meer dan voldoende zijn, om tegen die „schuld op te wegen. Dat is juist; wij moeten de pen door die „schuld halen; zij is afbetaald !"

Men ziet het, de heer Van Hoëvell, geheel anders dan

') Handelingen tweede kamer 1859/1860, blz. 582.

Sluiten