Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Hall, met wien hij zich verbeeldde overeen te stemmen, betoogt dat de Indische schuld „afbetaald" is, ergo dat deze bestaan heeft, hetgeen weer de rechtspersoonlijkheid van Indië onderstelt.

Dit verschil van standpunt schijnt aan mr. N. P. van den Bekg te zijn ontgaan. Althans in de bekende brochure .Debet of Credit?", waarin op de bladzijden 35 en 36 de ook door mij aangehaalde gedeelten uit de redevoeringen van Van Hall en Van Hoëvell achter elkaar zijn afgedrukt, wordt de rede des heeren Van Hoëvell ingeleid met de woorden: „De heer Van Hoëvell, afgevaardigde van Almelo, anders geen medestander van den heer Van Hall, sloot zich ditmaal geheel bij hem aan."

De houding van minister Van Bosse in deze zaak is een gestadig wijken. In het voorloopig verslag was de rentepost, of liever de heele schuld, een fictie genoemd. De minister van financiën komt in de memorie van beantwoording krachtig daartegen op'): „Het aanwezig zijn van dien post duidt „slechts aan dat niet al de uitkeeringen uit de koloniale geldmiddelen als zuivere winst zijn aan te merken, vermits, zoo„als ook blijkt uit de wet van 24 April 1836 (Stbl. 1835, n° 11) „een gedeelte daarvan te beschouwen is als de renten van „kapitalen, weleer door het moederland ten behoeve der „koloniën besteed; kapitalen door een vroeger Staatsbestuur „aan de voormalige Oost-Indische Compagnie voorgeschoten „en leeningen in de jaren 1828 en 1829 alhier ten behoeve „der koloniën aangegaan. Die kapitalen zijn op het grootboek „van Ned.-Indië ten behoeve van het moederland ingeschreven. „De Regering meent op deze gronden, dat die schuld niet „als eene fictie is aan te merken."

Na den aanval van Van Hall op den rentepost belooft minister Van Bosse „het vraagstuk nog te bezien, en in overweging te nemen of het zaak is, in deze oude en jaren lang „gevolgde gewoonte verandering te brengen."

Van Hall blijft bij zijn meening: „wat daarvan zijn moge, „ik heb reeds gezegd — en dat is niet tegengesproken — dat „die schuld vernietigd is. De debiteur en crediteur zijn in den„zelfden persoon vereenigd en dus, wat ook de wet zegge,

') Bijlagen 1859,1860, blz. 267.

Sluiten