Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het betoog, dat de Nederlandsche Staat eigenaar is van geheel „den Javaanschen bodem scheen maar al te zeer de strekking

«te hebben, om zoodanig gevoelen kracht te verleenen."

De comptabiliteitswet had bij haar „blanco"-artikel 4 de vraag naar de finantieele verhouding tusschen Nederland en Nederlandsch-Indië onopgelost gelaten. Allengs deed zich de behoefte gevoelen, bij de vaststelling der Indische begrooting een richtsnoer te hebben, m. a w. niet genoodzaakt te zijn, elk jaar op nieuw de bijdragen uit de Indische middelen, in zoo hooge mate ten gevolge van de wisselende koffie- en tinprijzen onberekenbaar, te begrooten. Bij de Indische begrooting wilde minister De Waal de vraag incidenteel beslissen en trok daartoe op het eerste hoofdstuk een bijdrage uit van tien millioen gulden. Dit stuitte op verzet, en het oude argument der „eenheid" bewees weer zijn diensten. Mr. D. van Eck 2) maakte aanmerking op het bedrag, en vond het rationeel, dat Indië zou bijdragen in de renten van de nationale schuld. „Maakt (Indië) niet een deel uit van Nederland? Er is dan „slechts één fiscus." — Ook de heer J L. Nierstrasz 3) verzette zich: „Nederland en Indië zijn één. Hetgeen daar overschiet, behoort aan Nederland." Ten slotte nam de kamer het amendement Blussé-Van Naamen aan, tot herstel van den bijdragesluitpost, met 42 tegen 24 stemmen 4) —

Bij de beraadslaging over de Indische begrooting voor 1874 s) liet de vader der comptabiliteitswet, minister I. D. Fhansen van de Putte, zich uit als volgt: „De heer Rahusen wenschte „eene scherpe afscheiding tusschen de inkomsten en uitgaven „van Indië en van Nederland. Ik sta hier vierkant tegenover „dien geachten spreker; ik ken geen onderscheid. "Reeds in „1864, 1865 en verleden jaar heb ik gezegd: de uitgaven en „inkomsten in Indië zijn Staatsuitgaven en Staatsinkomsten . . . „Als die 10 millioen er eens niet zullen zijn (van den restitutie-

') Het zoogenaamde agrarische besluit" (koninklijk besluit van 20 Juli 1870, Indisch Staatsblad 1870, n". 118) zegt in zijn eerste artikel, dat „alle „grond, waarop niet door anderen regt van eigendom wordt bewezen, „domein van den Stant is".

') Handelingen tweede kamer, 1869/1870, blz. 58.

') Handelingen tweede kamer, 1869/1870, blz. 62.

4) Handelingen tweede kamer, 1869/1870, blz. 287.

') Handelingen tweede kamer, 1873/1871, blz. 54.

Sluiten