Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tieele eenheid, een wassen neus zou moeten zijn. Bedoelde hij er dit mede, dat, de „eenheid" nu genomen in den zin van gemeenschap van organen, in specie van begrootingswetgever, een wettelijke regeling der finantieele verhouding toch nimmer zou kunnen beletten, dat de begrootingswetgever incidenteel van die regeling afweek? Dan bewijst de heer Bool te veel, want dat is natuurlijk het lot van elke regeling bij de wet! dat een toekomstige wetgever zich alleen door haar gebonden acht, voor zoover zij met zijn inzichten strookt: ook de wettelijke bepaling, die voor de Indische begrooting bijzondere organen in Indië schiep, zou morgen den dag kunnen veranderd worden, en dus, in het stelsel van den heer Bool, een wassen neus moeten zijn. Of is er iets anders mede bedoeld, nl. dit, dat bij finantieele eenheid een administratieve regeling van restitutie van het eene „deel" aan het andere „deel" eigenlijk neerkomt op de comedie, dat iemand geld legt van de eene hand in de andere ? Hiervoor, ik wil het aanstonds opmerken, voel ik veel, en uit juridisch oogpunt is daartegen volstrekt niets aan te voeren. Maar ik zou toch dit in het midden willen brengen, dat de uitdrukking „wassen neus" er een is aan het dagelijksch leven ontleend; dat nu het dagelijksch leven zich bij voorkeur van juridische bespiegelingen en constructiën verre houdt, veeleer praktische neigingen aan den dag legt, en dan vraag ik: is een administratieve regeling van de finantieele verhouding, met behoud van de finantieele eenheid, praktisch een wassen neus? Ik zou het niet voetstoots durven toegeven Men moet onderscheiden. In den tijd der batige sloten was „de" rentepost een wassen neus, omdat hij met juist hetzelfde bedrag het batig slot verminderde. Doch had die post nog bestaan in den tijd der tekorten, hij zou voor de Indische belastingschuldigen een drukkende werkelijkheid zijn geworden: door leeningen, die de Indische begrooting met rente en aflossing zouden komen drukken, zou in die moeilijkheid moeten zijn voorzien. Om tot het beeld van de eene en de andere hand terug te komen of van den „linkerden reckterbroekzak", zooals mr Van Houten zich uitdrukt, dit beeld is een hinkende vergelijking: het teekent plastisch de juridische bedoeling en doet den praktischen toestand uit het oog verliezen. Gaat geld van de eene hand in de andere, uit den linker- in den rechterzak, men wordt er noch armer noch

Sluiten