Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„zijn te geven, wanneer daarin de voorwaarde voor het meest „deugdelijke bestuur te vinden zal zijn ....

„Dat aan Indië rechtspersoonlijkheid zou kunnen worden „gegeven zonder in iets te kort te doen aan de staatsrechtelijke „verhouding, die tusschen Indië en Nederland bestaat, is ook „ondergeteekende's overtuiging ....

„Het door den ondergeteekende voorgestane beginsel van „financieel beheer vordert alleen, dat de geldmiddelen van het Rijk „en die van Indië uit elkander worden gehouden, daartoe is het „toekennen van juridische persoonlijkheid aan Indië niet noodig."

Moeilijk vereenigbaar daarmede is de verklaring, in het daaraan voorafgaande zittingjaar') door denzelfden minister in de memorie van antwoord op de Indische begrooting voor 1892 afgelegd: „De Regeering is van meening, dat de aanstaande leening ten behoeve van Indië behoort te worden „aangegaan rechtstreeks ten laste — met andere woorden ten „name — van Indië, dus op de wijze voorzien bij artikel 14 „der Comptabiliteitswet, en dat, aangezien de toepassing van „het denkbeeld om een verband op de Indische Staatsspoorwegen te leggen wel op practische bezwaren zal afstuiten, „de garantie van Nederland niet zal kunnen worden ontbeerd".

Ook bij de beraadslaging in de tweede kamer sprong de heer Van Dedem tegenover mr. J. W. H Rutgers van Rozenburg voor de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië in de bres en beriep zich daarbij op artikel 14 der comptabiliteitswet. Toen de heer Rutgers repliceerde, dat dit artikel veeleer op eenheid wees, omdat het voor een leening de tusschenkomst van de wet voorschreef, legde de heer Van Dedem den klemtoon op de woorden „ten laste van Nederlandsch-Indië", ten betooge, dat de financiën gescheiden zijn 2).

Is het nog noodig, de opvallende tegenstrijdigheid tusschen beide plaatsen nader aan te toonen? Springt het niet in het oog, dat hier binnen een tijdsverloop van anderhalf jaar door minister Van Dedem jure constituto zoowel de leer van de eenheid als die der scheiding van financiën is voorgestaan?

In het voorloopig verslag van de eerste kamer over de Indische begrooting voor 1892 3) komen eenige beschouwingen

') Bijlagen 1890 1891, bijlage B, n°. 43, blz. 2.

') Handelingen tweede kamer, 1891/1892, blz. 141, 143, 144.

') Handelingen eerste kamer, 1891/1892, blz. 30, 31.

Sluiten