Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij koninklijke boodschap van 30 April 1900 werd bij de tweede kamer ingediend een wetsontwerp '), waarvan het „Eenig Artikel" luidde: „De artikelen 4 en 28 der wet tot „regeling van de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen van Nederlandsch-Indië (Staatsblad no. 145) „worden ingetrokken". De memorie van toelichting, waarin een belangrijk historisch overzicht voorkomt van de finantieele verhouding tusschen moederland en kolonie en van de pogingen, om in die verhouding vastheid te brengen, draagt de naamteekening van minister Cremer. In het daarover uitgebrachte voorloopig verslag 2) komen eenige beschouwingen voor over „eenheid en scheiding", die ik laat volgen:

„Ter sprake kwam de vraag, welke de gevolgen van die „wetswijziging zullen zijn ten opzichte van de finantieele verhouding tusschen Nederland en Indië.

„De Comptabiliteitswet, hierover bestond geen verschil van „gevoelen, heeft geen scheiding gemaakt tusschen de Neder„landsche en de Indische financiën. De wet strekte slechts tot „invoering van een afzonderlijke boekhouding voor Indië onder „toezicht van den Nederlandschen wetgever. Twee financiëele „administratiën zouden er voortaan zijn3), die elk met eigen „begrooting, eigen rekening en eigen wet op de middelen, „afgescheiden van elkander door den Nederlandschen Staat „zoude worden gevoerd. Dat geen financiëele, doch alleen „administratieve scheiding was beoogd, dat integendeel handhaving van de eenheid op den voorgrond werd gesteld, blijkt „ook duidelijk uit de verklaring door den ontwerper en verdediger der wet bij de behandeling der Iudische begrooting „voor 1873 afgelegd, dat hij bleef bij hetgeen hij in de kamer „steeds had betoogd, namelijk dat de Nederlandsche en Indische „financiën één zijn en dat hij er geen bezwaar in zag om, „wanneer in de behoeften van Indië was voorzien, overschotten „van Indische diensten aan Nederland uit te keeren." 4)

„Sommige" leden zagen nu in de leeningwetten van 1883 en 1898 een inbreuk op de eenheid van financiën. In 1898 was

') Bijlagen 1899/1900, n°. 177.

*) Bijlagen 1900/1901, n°. 40, blz. 5 en 6.

3) Was er dan vóór de begrooting van 1867 slechts één finantieele administratie ?!

4) Handelingen tweede kamer 1872/1873, blz. 302.

Sluiten