Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„oppermagt, te beschouwen", dan zal het woord „provinciën" wel cum gram salis te nemen zijn en, in verband met de uitdrukking „deelen van het geheel" wel als zuiver territoriaal begrip zijn bedoeld.

Duidelijker, scherper omlijnd is het standpunt van Thorbecke. In zijn beroemde „Aanteekening op de Grondwet" 4) zegt Thorbecke : „Echter beschouwde zij 2), evenzeer in overeenstemming met de vorige Staatsregelingen 3), de ontvangst en „uitgave der koloniën als uitmakende een gedeelte der ontvangsten „en uitgaven van den Staat.'1'' 4) Na aangetoond te hebben, dat de 2de en 3de alinea, welke in 1840 artikel 60 der Grondwet van 1815 zijn komen verrijken, eigenlijk niets anders zijn dan een wassen neus, gaat hij aldus voort: „Volgens den grondwettigen „regel wordt het gebruik der Staatsinkomsten tot uitgaven „bepaald door de wet. De derde alinea van ons artikel stelt „de Staatsinkomsten uit de overzeesche bezittingen over 't algemeen buiten dien regel, daar zij er enkel het batig slot „aan onderwerpt.

„Of zijn welligt de koloniale inkomsten geene inkomsten „van het Rijk? Wolk eene vraag! Inkomsten van bezittingen „van het Rijk, en zoo worden de koloniën in de Grondwet „genoemd, zullen toch wel inkomsten van het Rijk wezen. „Dus zal denkelijk ieder antwoorden, hoewel men voor de „ontwikkeling der natuurlijke gevolgen van het antwoord terugdeinst."

Ik veroorloof mij te doen opmerken, dat in het woord „bezittingen" weinig bewijskracht aanwezig is. Ja, wanneer daarmede het civielrechtelijk begrip „bezit" aangeduid ware! Maar het is toch waarlijk een andere verhouding tusschen bezitter en bezit, een andere tusschen moederland en koloniën! En niet alleen thans, doch ook ten tijde van Thorbecke. De tijden, waarin „het publiek regt, nog in de hulsels van het „burgerlijke regt, door civielregtelijke stelregelen wierd be„heerscht," waardoor het onmachtig was „zich tot een helder

') Tweede uitgave, van 1841, Eerste Deel, blz. 134, 136

*) Bedoeld wordt: de Constitutie van 1806.

•) Thorbecke verwijst hier in een noot naar de artikelen 129, 241, 242 der Staatsregeling van 1798 en naar artikel 47 der Staatsregeling van 1801.

4) Artikel 12.

Sluiten