Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En nu moge de spreker gezegd hebben, dat hij zich niet „beroept op de Grondwet of andere wetten; maar zijn geheele „betoog had toch de strekking aan te toonen, dat dergelijke „leeningen rechtens zouden komen ten laste van Nederland. „En dit nu geloof ik niet, ten minste niet wat Suriname en „Curafao betreft, omdat daar autonomie is en leeningen van die „koloniën mijns inziens geheel gelijk staan met provinciale „geldleeningen in Nederland.

„Wat geldleeningen voor Oost-lndië aangaat, is er meer „bezwaar aan verbonden, daarvan de rechtsgevolgen uiteen te „zetten, want Oost-lndië wordt geregeerd doorde Nederlandsche „wet, de Indische begrooting wordt hier vastgesteld, en in de „laatste jaren heeft men zekere eenheid van finantiewezen „tusschen het moederland en Oost-lndië aangenomen. . ..

„Voor Nederlandsch-Indië geldt nog binnen de grenzen der „wet: „„De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en „bezittingen des Rijks in andere werelddeelen" "

„Hoe thans eene leening, of ten laste van Nederland (Oost„Indië inbegrepen) of uitsluitend ten laste van Indië, zou moeten „worden aangegaan, op dit punt geloof ik niet dat het gesprokene „door den heer C. Stuart stellige tegenspraak verdient."

Niet gaarne zou ik met mr. Bachiene medegaan, waar hij stilzwijgend te kennen geeft, dat voor de West-Indische koloniën artikel 59 eerste lid der Grondwet van 1848 niet geschreven zou zijn: „Binnen de grenzen der wet" oefent ook daar de Koning het opperbestuur uit.

Niets nieuws is er onder de zon. In den heer J. P. Bredius ontmoeten wij een voorlooper van den ethischen koers in de koloniale politiek, een besef van eereschuld. Hij staat geheel op den bodem der finantieele eenheid in de dubbele beteekenis. De heer Stuart had gepleit voor opneming van renten en aflossing in hoofdstuk VII A, doch er op gewezen, dat dit allerminst uitsloot deze uitgaven op de Indische begrooting te verhalen, Na aangetoond te hebben, dat van 1852 tot 1877 ten minste f 323.350.000 aan de Indische middelen ten bate van liet moederland is onttrokken, gaat de heer Bredius aldus voort: „Dit alles kon niet anders plaats hebben dan door de „volledige toepassing van het beginsel van eenheid der geldmiddelen van Nederland en Indië. Daaruit volgt echter, dat „wanneer Indië behoeften heeft, bet eene schreeuwende onrecht-

Sluiten