Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„vaardigheid zou zijn, wanneer de daarvoor noodige geldleningen werden gebracht ten laste van lndië. Juist omdat wij „zoovele baten uit lndië getrokken hebben, rust ook op ons „de plicht nu de lasten mede te helpen dragen en de leeningen, „die daartoe zullen blijken noodig te zijn. te sluiten door en „ten laste van den Nederlandschen Staat.. . Indien wij de „eenheid alleen toepasten wanneer er voordeelen te behalen „zijn, maar niet wanneer er lasten aan verbonden zijn, omdat ► men die liever zou willen schuiven op de schouders van de „bewoners van lndië, dan zou men m. i. eene grove onrechtvaardigheid en onbillijkheid begaan "

Volgens dezen spreker is de stelling juist, wanneer de heer Cohen Stuaht onze Nederlandsch-Indische bezittingen heeft bedoeld; onjuist, zoo hij hechtte aan het woord „koloniën", die immers provinciën zijn, in een ander werelddeel gelegen.

Mr Bachiene sloot zich hierbij aan. Wettelijke bekrachtiging geschiedt alleen om redenen van publiekrechtelijken aard. „Men zou het in zeker opzicht kunnen gelijkstellen met een „voogd, die eene leening voor zijnen pupil aangaat, waarvoor „hij autorisatie van de rechterlijke macht moet hebben. De „vergelijking gaat wel niet in allen deele op, maar ik wil er „door aantoonen, dat de bekrachtiging bij de wet niet in 't „allerminst aanduidt de aansprakelijkheid van den Nederland„schen Staat."

Dr. T. C. L. Wijnmalen stelde vervolgens de vraag, in hoever de regeering in Nederland de verantwoordelijkheid voor de Indische schuld voor den Staat der Nederlanden zou kunnen ontkennen? Zelf zijn gevoelens op dit punt reserveerende, wees hij op een artikel in het Amsterdamsch Effectenblad, waarin vooral gewezen werd op het belang van de wijze, waarop de leening zou worden gesloten, met het oog op een eventueel verlies van onze koloniën in Oost-Azië.

In zijn repliek verwierp de heer Cohen Stuaut allereerst de onderscheiding tusschen „koloniën" en „bezittingen" „Het is een bekende regel, dat, waar de wet niet onderscheidt, „men niet te onderscheiden heeft, en nu geloof ik, dat wij „veilig zouden kunnen besluiten, dat het beginsel, hetwelk de „wetgever zal aannemen ten aanzien der Oost-Indische bezittingen, ook meer en meer zal blijken van zelf van toepassing „te zijn op onze West-Indische koloniën. . . .

Sluiten