Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij vroegen niet om rechtspersoonlijkheid, maar om een billijker verdeeling van lasten en baten tusschen moederland en kolonie; zij wilden niet den begrotingswetgever door de wet binden, maar namen aan, dat wanneer maar eenmaal de finantieele verhouding naar hun wenschen wettelijk geregeld zou zijn, de toekomstige wetgever niet zoo maar lichtzinnig daaraan zou gaan tornen.

Geheel ga ik hier met den hoogleeraar De Louter mede, die aantoont, dat mr. Van Houten te veel, en daardoor niets' bewijst. Zijn bezwaar geldt van elke wettelijke regeling'. Tegenover de souvereine Staatsmacht ontzinken alle waarborgen. Maar souvereine macht is niet synoniem met souvereine willekeur. Anders ware het wetgevend werk de meest verdrietelijke en nuttelooze bezigheid, die zich denken laat; de Staat een Saturnus, die zijn kinderen verslindt. Daarvan zijn wij ver verwijderd. Om nu zulk een wettelijke regeling van de finantieele verhouding te treffen, is toekennen van rechtspersoonlijkheid volstrekt geen eisch. Uitzuiging van een kolonie is mogelijk bij bestaan evenzeer als bij gemis van rechtspersoonlijkheid dier kolonie. Zoo ook een humaan bestuur in het belang van de bevolking dier gewesten. Finantieele verhouding en staatsrechtelijke verhouding zijn twee geheel divergeerende categorieën.

Was om de Indo-Europeanen te bevredigen het toekennen van rechtspersoonlijkheid hoegenaamd geen vereischte, dat de vervulling van hun wenschen ') de verhouding zou vervormen tot een van „personeele unie of bloote suzereiniteit" kan ik al evenmin toegeven. Eén blik op Suriname en Cura9ao overtuigt van de onjuistheid dier bewering. Suriname en Cura<;ao hebben een eigen overheid en een eigen vermogen, doch niemand zal daarom durven beweren, dat het moederland de suzerein van zijn Westindische koloniën is, noch dat een personeele unie den band tusschen beide uitmaakt.

Doch al ware een rechtvaardiger finantieele politiek alleen mogelijk geweest door aan Indië rechtspersoonlijkheid toe te kennen, dan nog zou het streven der Indo-Europeesche bevol-

') De lezer wete, dat mr. Van Houten hier spreekt van den tijd, toen de Indische bijdragen ruim vloeiden, dus vóór 1877.

Sluiten