Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„den met die van den Staat. Later is zij bestendigd als een „vermeend natuurlijk gevolg van de ondergeschiktheid der „koloniën aan het moederland. Zij schiep de lange en overbekende geschiedenis van het ingewikkeld verband der Neder„landsche en koloniale financiën gedurende den loop dezer „eeuw en maakte de noodlottige beschikking over koloniale „saldo's ten bate van Nederland mogelijk."

Wanneer ik prof. De Louteb goed begrijp, dan is zijn theorie, kort geformuleerd, de volgende: publiekrechtelijk een afzonderlijk persoon met eigen organen, mist Nederlandsch-Indië privaatrechtelijk een eigen bestaan en gaat mitsdien privaatrechtelijk op in Rijk of Staat. Want al zegt de hoogleeraar, dat Indië publiekrechtelijke persoonlijkheid mist, de parallel, die hij met de provincie trekt, dwingt er toe, publiekrechtelijk als volkenrechtelijk te interpreteeren. Immers, dat de provincie, een der „door de Grondwet of andere wetten ingestelde" vereenigingen, niet subject zou zijn in het staats- en administratiefrecht, niet zou wezen rechtspersoon naar het publieke recht, schoon ook niet-ingezetenen gehouden zijn b.v. een provinciaal reglement op de wegen na te komen — (Zie boven, blz 10 v.) — zal wel niemand willen beweren.

Opgevat in dezen zin, krijgt de theorie iets zeer gekunstelds. Zij doet levendig denken aan den „Polizeistaat," toen men bij een fiscustheorie steun en hulp zocht tegen de rechteloosheid op het gebied der openbare verhoudingen. Wij zien dan in Indië een overblijfsel van een leer, die men nu eindelijk voorgoed dood en begraven mocht achten; een dualisme, door de theorie geleerd, door de praktijk weerlegd. Immers: zoo vaak in Indië van overheidswege iets geschiedt, b.v. het algemeen nut eener onteigening wordt uitgesproken, handelt NederlandschIndië door zijn „eigen" organen. Heeft echter die onteigening plaats ten name van het Gouvernement, ') dan zou, altijd in het stelsel van mr. De Louter, de kolonie, onteigenaar en

') In de onteigeningsordonnantiën heeft men de ongelukkige gewoonte, immer te gewagen van onteigening ten name van den „Staat". Het Rijk in Europa, Suriname en Curaijao zouden vreemd opzien, wanneer de Indische regeering hun een bijdrage verzocht in de kosten der schadeloosstelling, en toch zoa zulk een verzoek redelijk kunnen zijn, indien het woord „Staat" maar ernstig gemeend ware.

Sluiten