Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Bouw van den Nederlandschen Staat.

Alvorens ieder der drie Nederlandsche koloniën van ons oogpunt uit afzonderlijk te bezien, kan het zijn nut hebben een blik op het geheel te werpen en dus ook den Staat en het Rijk in onze beschouwingen op te nemen.

Het is van algemeene bekendheid, dat een der hoofdresultaten van de Grondwetsherziening van 1887 geweest is, dat men de in de Grondwet behandelde begrippen scherper geformuleerd, voor een zuiverder terminologie gezorgd heeft.

De Grondwet van 1848 gebruikte de woorden Staat en Rijk dooreen, en bedoelde met beide woorden nu eens de souvereine rechtsgemeenschap, dan weer alleen het Rijk in Europa. Daarnaast kwam dan nog de term „Land" voor in „den Lande" (artikel 28), „'s Lands kas" (artikel 27 en passim), „landsbediening" (artikel 6).

Nu heeft de Grondwet van 1887 deze terminologie ingevoerd, dat met „Staat" bedoeld zal zijn het opperste, ook de koloniën beheerschende, geheel; de rechtsgemeenschap, die uitsluitend bevoegd is om de belangen der vier staatshoofddeelen, waarvan zij de overhuiving vormt, voor te staan en te verdedigen tegenover de andere leden der volkenrechtelijke gemeenschap.

Gelijk uit het tweede lid van artikel 2 der Grondwet blijkt, wordt met „Rijk" het Rijk in Europa aangeduid.

Men is bij het doorvoeren van deze terminologie niet altijd consequent geweest.

Zoo is het, om maar iets te noemen, bepaald een fout, dat, terwijl artikel 177 der Grondwet van 1848 spreekt van

Sluiten