Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischers gewaagt. Hier wordt op de nationale schuld gedoeld. Naar mijn zienswijze mag in dit artikel aan het woord Staat niet een technische beteekenis worden gehecht, omdat het eensluidend is met artikel 173 van de Grondwet van 1848, en in 1887 naar aanleiding van dit voorschrift of liever van deze phrase niets is voorgevallen. Het vage, dat het begrip vóór 1887 heeft gekenmerkt, is hier in de Grondwet van 1887 overgegaan.

Het is te betreuren, dat de wetgever na 1887 nog zoo herhaaldelijk blijk geeft van slordigheid met betrekking tot de door de Grondwetsherziening ingevoerde terminologie, en er kan met niet genoeg klem op worden aangedrongen, dat, ter vermijding van misverstand, men voor het vervolg de woorden Staat, Rijk, Gouvernement (in de verbogen naamvallen „Lande"), Nederlandsch-Indië niet nu eens gebruikt om hetzelfde begrip, dan weer, om geheel verschillende begrippen aan te duiden.

Vooral wordt nog veelvuldig: „Staat" in plaats van: „Rijk" aangetroffen in onze nieuwere wetten.

De Woningwet is in dit opzicht onberispelijk. De Ongevallenwet 1901 steekt zeer daarbij af. Artikel 33a doet ons daar met den Staat als werkgever kennismaken. Natuurlijk is het Rijk bedoeld. In artikel 52, tweede lid, der wet treffen wij dien pseudo Staat-werkgever wederom aan. Artikel 60 schrijft voor, dat zekere vorderingen, welke de Rijksverzekeringsbank op een naamlooze vennootschap of vereeniging mocht hebben — (is de Rijksverzekeringsbank ook al een rechtspersoon ?)— door den Staat aan haar worden voldaan, voor zoover zij die niet heeft kunnen innen. Men vergeet, dat, als werkelijk de Staat deze vorderingen heeft te voldoen, het bij gebrek aan een rege • ling in de lucht hangt, ten laste van welk der vier staatshoofddeelen deze uitgaaf zou komen. Hier moest natuurlijk het woord Rijk zijn gebezigd. Artikel 90 vestigt, alweer ten onrechte, de aansprakelijkheid van den Staat voor de op de wet gegronde schadeloosstellingen.

Typisch uit een oogpunt van slordigheid is artikel 93 der wet. Het eerste lid zegt daar, dat aan de Rijksverzekeringsbank een voorschot wordt verleend door den Staat, terwijl het tweede lid daaraan toevoegt, dat de helft van de bezoldigingen van het bestuur en de daaraan ondergeschikte ambtenaren ten laste komt van het Rijk!

Sluiten