Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer zeker een uiting van de hoogste staatsmacht dier dagen. En aannemende continuïteit in de wetgeving, ook als een tusschenbestuur plaats grijpt, bleef het dus gelden tot het vervangen zou wezen door een regeling, die van dezelfde, of een andere in vermogen gelijkstaande, macht zou zijn ver vangen. De wetgevende macht was dus volgens hem de eenig bevoegde. Het spreekt wel van zelf, dat de uitlegging, die men daarbij gaf aan 's Konings koloniaal opperbestuur, de geheele quaestie beheerschte '),

Het adres, door de tweede kamer aan de eerste kamer gezonden, mocht ook daar een meerderheid vinden en werd daarop den Koning aangeboden. In dat adres wordt o.a. opgemerkt2) dat, schoon het moederland niet gehouden was om koloniale schulden, buiten de medewerking der wetgevende macht aangegaan, te voldoen, men zich toch uit die overweging aan de zaken der Westindische Bank niet mocht onttrekken.

Nog twintig jaren zou het duren, eer de door Thorbecke gesignaleerde behoefte aan wettelijke regeling bevredigd zou worden.

Bij koninklijke boodschap van 5 April 1864 werden ingediend de ontwerpen van wet „houdende vaststelling van het reglement op het beleid der Regeering in de kolonie Suriname" en in de kolonie Cura9ao."3) Beide memoriën van toelichting dragen de onderteekening van Fransen van de Putte. Ten aanzien van Suriname teekenen wij uit de memorie het volgende aan : *) „De zelfstandigheid door de kolonie te verkrijgen verheft haar „publiek- en privaatregtelijk tot een van den Staat onderscheiden rechtspersoon5). Een noodzakelijk gevolg hiervan is

') Zie A. J. van der Houvkn van Oordt, t.a.p. blz. 20 en 21, die de interpretatie van Büys volgt

*) Bijlagen 1844/1845, blz. 1014

Bijlagen 1863/1864, n°. CXIX, blz. 1397—1414 en 1414—1426. Andermaal ingediend in de zitting 1864/1865, Bijlagen van dat jaar, n°. VIII.

4) Bijlagen 1863/1864, blz 1409, § 6.

') lk vestig er de aandacht op, dat Van de Pütte de rechtspersoonlijkheid van Suriname vooral zocht in de aan haar verleende zelfstandigheid tegenover de machten in het moederland, in de haar verleende „autonomie", als men dit onbestemde woord wil gebruiken. Geheel ten onrechte, gelijk ik in het zevende hoofdstuk met betrekking tot Nederlandsch-Indië overtuigend hoop aan te toonen. Men kan niet zeggen, dat, waar autonomie is, rechtspersoonlijkheid wordt gevonden. De stelling, dat

Sluiten