Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de dienstjaren 1895 en 1896 leverden de rekeningen van Cura«?ao niet onaanzienlijke tekorten op. Daar nu op de (niet bij de wet vastgestelde) begrootingen voor die jaren de njdrage uit de Rijksmiddelen pro memorie was uitgetrokken meende minister Cremer, dat de wetgevende macht niet vrij meer stond tegenover deze zaak, veeleer zich tot een eventueele bijdrage had bereid verklaard Daarom diende hij een wetsontwerp in tot verhooging van het tiende hoofdstuk der rijksbegrooting voor 1898, waarbij alsnog in de derde afdeeling: „ Uitgaven ten behoeve van de kolonie Curafao" onder artikel 17a een bijdrage aan de koloniale geldmiddelen over 1895 voorkwam, ad ƒ80.845.625, en een over 1896, ad ƒ 199.686.93 ').

In het voorloopig verslag lezen wij dienaangaande2): „Vrij „algemeen was men van gevoelen, dat het moederland wel „verplicht zal zijn de kolonie te helpen bij de dekking der „tekorten, maar omtrent de wijze waarop bestond verschil van „inzicht. Sommigen zouden het eenvoudigst achten, indien de „tekorten op de volgende huishoudelijke begrooting onder de „uitgaven werden opgenomen, en eene som van gelijk bedrag „als bijdrage uit 's Rijks schatkist onder de inkomsten. Die „begrooting zou alsdan definitief bij de wet moeten worden „vastgesteld. Andere leden waren van oordeel, dat de tekorten „op de dienstjaren 1895 en 1896 ten laste moeten blijven van „de kolonie Curafao. Huns inziens wordt dit ook in beginsel „erkend bij het ingediende wetsontwerp, waar tot gedeeltelijke „dekking dier tekorten worden aangewend de batige saldo's „over vorige jaren, waarin de vaststelling der begrooting mede „niet is geschied bij de wet. Deze groep van leden gaf in „overweging in de zaak te voorzien door het verstrekken van „een renteloos voorschot uit 's Rijks kas aan de koloniale geldmiddelen. Mochten te eeniger tijd wederom batige saldo's „aanwezig zijn, dan zou daarmede dit voorschot moeten worgden af betaald. Het beginsel, dat de kolonie verantwoordelijk „blijft voor de tekorten van dienstjaren, waarin de begrooting

«niet bij de wet is vastgesteld, blijft op die wijze ongeschonden."

In de memorie van antwoord toonde de minister zich afeerig zoowel Van het voorstel om de volgende begrooting

') Bijlagen 1897/1898, n°. 176.

«) Bijlagen 1897/1898, n°. 175, 4, blz. 3.

Sluiten