Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„noch in de Regeeringsreglementen van West-Indië noch in

„dat van Oost-Indië voorkomt Ik geloof, dat de Neder-

„landsche Staat aan die vordering op Cura9ao weinig waarde „mag hechten. Zij zal een druk op de kolonie uitoefenen en

„zij zal de zuinigheid tegenhouden. Want onderstel dat

„over eenige jaren eene regeering van de kolonie kans ziet. . . „tot een beteren financieelen toestand te komen, waardoor bij „voorbeeld lang teruggehouden verbeteringen tot stand zouden „kunnen worden gebracht, dan hangt haar steeds dat voorschot als een Damocles-zwaard boven het hoofd."

Mr. Mackay repliceerde, dat van een usance van bijdragen in geen geval sprake kon wezen, omdat het de eerste keer was, dat de wetgevende macht geroepen werd te voorzien in een tekort van een koloniale begrooting, die zonder bekrachtiging bij de wet was vastgesteld. Usance kon hier dus de gedragslijn niet bepalen en het regeeringsreglement zweeg van het geval.

Ik geloof, dat moeielijk duisterder antwoord mogelijk is dan de minister in zijn dupliek gaf: Ik kan mij voorstellen dat „men, een voorschot gevende aan eene Kolonie, dit kwijt uit „inkomsten van volgende jaren, maar welke waarde als crediteur een koloniaal geldmiddel heeft van een afgeloopen jaar „waarop een tekort was, begrijp ik niet." - Hier past de vraag, of een schuld uit leening, gedaan om het evenwicht tusschen uitgaven en ontvangsten van een vroeger dienstjaar te herstellen, drukt op de (reeds uitgegeven of in elk geval vastgelegde) ontvangsten van dat dienstjaar, dan wel als iedere schuld, op alle activa van den schuldenaar?

Het resultaat is ten slotte geweest, dat de commissie van rapporteurs haar amendement aangenomen zag met 57 tegen 20 stemmen. Wat als bijdrage was voorgesteld, is dus voorschot geworden.

Het is opmerkelijk, dat Fransen van de Putte in de eerste kamer, bij de beraadslaging over dit ontwerp,«) er tegen te velde trok, dat Cura9ao het voorschot te eeniger tijd zou moeten terugbetalen, terwijl het moederland er niet aan dacht Nederlandsch-Indië voor zijn voorschotten te crediteeren. Hij zeide bij deze gelegenheid : „Maar heeft men altijd zoo ge-

') Handelingen eerste kamer, 1897/1898, blz. 396.

Sluiten