Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-lndië.

§ 1. De wetgeving.

I. De regeeringsreglementen.

Bij aandachtige beschouwing van het regeeringsreglement van 1815 *), vallen ons eenige niet onbelangrijke afwijkingen op van dat van 1806 en van het charter van 1804 (zie boven blz. 27) Bepaalde b.v. dit laatste in artikel 38: „Deze Raad „zal, onder het Oppergezag van den Gouverneur-Generaal in „Rade, belast zijn met het Algemeen Toevoorzicht over de „Finantiën, Domeinen en Goederen van de Bataafsche Republiek „in Indien , zoo schreef nu artikel 32 van het regeeringsreglement van 1815, voor: „Deze Raad of Administrateur zal onder het „Oppergezag van den Gouverneur-Generaal in Rade, belast „zijn met het algemeen toevoorzigt over de finantiën, domeinen „en goederen van 's Land* Aziatische Bezittingen"2).

Artikel 24 van het charter: „En, ten einde de Uitvoerende „Magt, van wegens den Staat in Indiën het noodige vermogen „bezitte" enz. tegenover artikel 20 van het regeeringsreglement van 1816: „En ten einde de Uitvoerende Magt in 's lands „Aziatische bezittingen het noodige vermogen hebbe" enz.

Bijna doorloopend is het woord „Staat" in het regeeringsreglement van 1815 door „Lande" vervangen. Doch ik wil hierop geen nadruk leggen.

) Mr. G. J. Grashuis: De Regeeringsreglementen van NederlandschIndië, 1893, blz. 235 -250. Mr. P. Mijkr, t a. p. blz. 369—396. Dit regiement is niet in het Indisch Stuatsblad afgekondigd.

*) Cursiveering van mij.

Sluiten