Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich met bedoelde bepaling, omdat deze voor het gebied in Azië geldt en gene voor het gebied in Europa, want het voorschrift van artikel 161 is er een, dat los is van alle territorale begrenzing. Voor alle niet-reëele vorderingen, waarin de Staat gedaagde is, waar ter wereld zij ook mogen ontstaan, is de Hooge Raad het grondwettelijk forum. Elke wetsbepaling, die anders regelt, is ongrondwettig.

Het voorschrift van het ontwerp, wet geworden als artikel 98 van het regeeringsreglement, is alleen dan met artikel 161 der Grondwet van 1848 te rijmen, wanneer onder „den Lande'''' Nederlandsch-lndïè wordt verstaan. Daar wij in de wetgeving niet meer ongrondwettigheden mogen aannemen dan ons door haar duidelijke bewoordingen worden opgedrongen, meen ik hieraan een argument te mogen ontleenen ten gunste van de leer der finantieele scheiding.

In het zittingjaar 1853/1854 ') werd het ontwerp, nu voor een deel aan de wenschen der afdeelingen tegemoetkomend, andermaal ingediend.

Een tweede lid, aan artikel 3 toegevoegd, bepaalde nu: „Hij „mag geene schuldvorderingen ten laste van Nederlandsch Indië „koopen of voor zijne rekening nemen." Hiermede werd de uitlegging, door mij aan de uitdrukking „den Lande," in correspondeerende artikelen der vorige regeeringsreglementen gegeven, bezegeld.

Vinden wij bij artikel 11 (van de wet het 9de), dat van Staatsambten gewaagt, aanleiding, om de slordigheid van den wetgever te betreuren, de duidelijke beteekenis van artikel 3, 2de lid, kan door dergelijke inelegantie niet worden uitgewischt. Artikel 91 wijst weer het Hooggerechtshof als forum privilegiatum aan voor vorderingen tegen den Lande.

Nog onderwerpt artikel 62 het beheer der koloniale geldmiddelen en de verantwoording der rekenplichtigen aan het toezicht eener Algemeene Rekenkamer in Indië.

Wenden wij ons tot de gewisselde stukken. In de toelichtende memorie vinden wij, onder meer, het volgende.

Op artikel 91 vinden wij aangeteekend: *) „Het forum

') Bijlagen onder n°. XXVIII, blz. 351—406. Keuchenius, I, blz. 21—41. *) Bijlagen 1853/1854, blz. 392. Keuchenios, II, blz. 283.

Sluiten