Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ontwerp heeft geenszins ten oogmerk, om eeue opname van „gelden ten bezware van het Rijk te wettigen; hetzelve is „slechts strekkende, om den u-aarborg van den Staat ') toe te „zeggen aan eene ten behoeve van de koloniën te doene „ eening, waarvan de renten en aflossingen geheel uit de in„komsten dier koloniën zullen worden gekweten."2)

Onder II: „De hoegrootheid en de aard van den waarborg door het Rijk te geven,"3) vinden wij vermeld: „De waarborg door het Rijk te geven bestaat dus hierin, dat hetzelve „aanneemt om, gedurende hoogstens dertig jaren, te zullen „aanvullen hetgeen de koloniale geldmiddelen minder dan

„veertien ton 's jaars tot het voorschreven einde zullen bii„dragen." J

Bij III: „Aanwijzing der middelen, die de koloniën bevitten om de schuld te kwijten buiten bezwaar van het „Moederland," lezen wij op bladzijde 347: „Men heeft te „eerder gemeend den waarborg des Rijks, tot geruststelling „der geldschieters, te mogen vragen, omdat er alle grond bestaat om te gelooven, dat die waarborg nimmer zal behoeven "te worden aangesproken; maar dat de inkomsten van Neder„landsch-Indië meer dan genoegzaam zullen zijn om te vol„doen aan de verpligting tot uitkeering eener som van f 1.400.000 „jaarlijks." — De memorie eindigt met de verzekering: „ . . dat »het met onder de waarschijnlijkheden kan worden" gesteld,

') Cursiveering van mij.

') Artikel 1 schrijft voor: „Ten behoeve van des Rijks overzeesche „bezittingen, zal eene som, niet te boven gaande twintig millioen gulden, „onder den na te melden waarborg van den Staat, worden opgenomen."-

, ,.i." voldoening der renten en tot aflossing van het kapitaal „zal jaarlijks, te beginnen met het jaar 1826, uit de geldmiddelen van dé „overzeesche bezittingen worden afgezonderd eene som van een millioen „viermaal honderd duizend gulden." - Artikel 4: „De som van één „millioen viermaal honderd duizend gulden, tot het bedoelde einde geschikt „wordt zoovee1 des noods, van 's Rijks wege gewaarborgd, gedurende „een tijdvak van uiterlijk dertig jaren." — Artikel 5: „Bij de overweging „der schuld in den jare 1849, zal bepaaldelijk in aanmerking worden „genomen of, en m hoever, de stand van de leening, in verband tot de „aangelegenheden van 's Rijks overzeesche bezittingen, het raadzaam zal „maken die jaarlijksche uitkeering met den jare 1850 te verminderen of „geheel te doen ophouden, en mitsdien, in overeenstemming daarmede „den toegezegden dertigjarigen waarborg te beperken."

') Bijlagen 1825/1826, b!z. 347.

Sluiten