Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„moeten dienen — als voor de Indische leeningen van 1826 „en 1828 "

Dit alles is duidelijk. Het geheele betoog is opgetrokken op het verschil in aansprakelijkheid tusschen hoofdschuldenaar en waarborg; vooral door de woorden: „in hoogere mate" wordt ons dit helder. Wanneer dan ook door latere inlassching in artikel 1 sprake is van „eene schuld, gevestigd op alle de „territoriale en andere bezittingen en inkomsten van den Staat*) „in Oost-Indië," zoo kunnen wij daarin niets dan een lapsus bespeuren, waardoor wij ons niet op een dwaalweg doen brengen.

Bij de openbare beraadslaging ontmoette het ontwerp veel minder verzet dan de afdeelingsverslagen zouden doen vermoeden. Trouwens ook zij, die van een andere juridische zienswijze waren, konden toch de oogen niet sluiten voor het nijpende geldgebrek, waartegen de maatregel gericht was. Dit zal den meesten het zwaarst gewogen hebben. Alleen Luzac deed een ernstig protest hooren. Hij zag, dat men zich op een hellend vlak begaf. Het was als voorzag hij den smadelijken tijd, door het ontwerp ingeluid en eerst in 1877 voor goed afgesloten, den tijd van de batige sloten, die den heer Van der Heim van Duyvendijke in 1863 de verzuchting ontlokte : „Geld is bij mij geen hoofdzaak, maar wel de zedelijkheid der natie; de natie is door de Indische saldo's gedemoraliseerd."

Het ontwerp, met 46 tegen 6 stemmen aangenomen, werd de wet van 24 April 1836 (Staatsblad n°. II).2)

Wanneer bij deze leeningwet, gelijk bij de latere, iets ons treft, dan is het wel dit, dat de vorm, waarin de maatregelen, die de diepste finantieele afhankelijkheid van NederlandschIndië beteekenden, gegoten werden; — dat de wijze, waarop men de Indische middelen dienstbaar trachtte te maken aan zuiver moederlandsche belangen, de rechtspersoonlijkheid dier kolonie tot voorwaarde had. Zonder deze laat eenzijdige sc/iwWoplegging zich niet denken. Dit voor hen, die, staande op den bodem der finantieele eenheid, meenen door het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan Nederlandsch-Indië, zekere zelfstandigheid aan de kolonie tegenover het moederland

') Cursiveering van mij.

*) In het Imltsch Staatsblad niet afgekondigd.

Sluiten