Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„kan zich hier geen duidelijk begrip vormen van de wijze van „leening; bij iedere leening toch wordt eene handeling „verondersteld tusschen twee afzonderlijke physieke of moreele „personen, van wie de een ter leen geeft en de ander ter leen „ontvangt. Maar men kan nu niet anders begrijpen, of de „persoon, die geeft en ontvangt, is een en dezelfde, namelijk „de Staat, daar toch wel de overzeesche bezittingen bezittingen „van den Staat zullen zijn en de Staat dus in effecte van „zich zelf zoude leenen.'1

Het goochelen met het woord „bezittingen" en het uit deze dubbelzinnigheid overijld concludeeren springen in het oog.

De toenmalige regeering achtte deze bewering dan ook eigenlijk geen weerlegging waard. Zij wees er alleen op, dat als men van de bewoordingen der vorige leeningwetten zoude afwijken, de meening zou kunnen ontstaan, dat men hier met een andere soort van schuld te doen had dan ginds.4)

Nu, aangaande de soort van schuld kon redelijkerwijs toch wel geen twijfel bestaan

Tegelijk met de Staatsbegrooting voor 1840 werd bij de tweede kamer ingediend een nieuw ontwerp tot „daarstelling „van schuld ten laste van 's Rijks overzeesche bezittingen." J) Met merkwaardige naieveteit werd overwogen : „dat de middelen behooren te worden aangewezen tot teruggave der „voorschotten, welke gestrekt hebben om de koloniale administratie hier te lande in staat te stellen tot kwijting der geldelijke verpligtingen, aan dezelve onder buitengewone omstandigheden opgelegd, in het belang van 's Rijks schatkist; 3)

„Dat een gedeelte der voormelde verpligtingen, door bijzondere oorzaken, is achterstallig gebleven en alsnog dient te „worden vervuld;

„En dat de toestand van 's Rijks Oost-Indische bezittingen „gedoogt, om die teruggave en aanvulling te doen plaats hebben „zonder dadelijk bezwaar van het moederland . . .."

Artikel 1 bepaalde: „Er zal, ten laste der overzeesche bezittingen, eene schuld worden daargesteld, ten bedrage van „2ps en vijftig millioen gulden, onder denzelfden waarborg voor

') Bijlagen 1838/1839, blz. 170.

5) Bijlagen 1839/1840, VII C., blz. 178 v.

') Cursiveering van mij.

Sluiten