Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„wilde op dit oogenblik niet onderzoeken, in hoever deze be„paling van het contract, bij wanbetaling van de zijde der „Koloniale Administratie, het Moederland tot borg stelt voor „de aangegane schuld ; of Nederland, reeds voor andere schuinden van Oost-Indië borg zijnde gebleven, niet het regt heeft „om te zorgen dat deze Bezitting van het Rijk door het aan„gaan van nieuwe schulden de betrekking van het Moederland „als borg niet verergere, noch ook of de Regering het regt „heeft om schulden voor Oost-Indië aan te gaan, terwijl dit „onder het woord opperbestuur, art. 59 der Grondwet, evenmin „als onder dat woord in art. 60 kan worden verstaan en art. „199 *) het tegendeel duidelijk schijnt aan te toonen. Genoeg „is het, dat de schuld van 39 millioen niet ten behoeve van „de Oost, maar van Nederland is aangegaan, dat de Minister „van Financiën, van Oorlog, enz., en niet de Koloniale Administratie, die 39 millioen hebben ontvangen, om met zekerheid „te kunnen zeggen, dat zoo de Handelmaatschappij betaald „moet worden, die betaling door Nederland en niet door de „Oost geschiede, dat bij gevolg de Minister van Koloniën het „regt niet had om over die schuld eenige verbindtenis aan te „gaan, en dat derhalve het gesloten contract is ongrondwettig „en dus nietig en van onwaarde."

In de Vijfde Afdeeling2) „betwistte men het niet, dat de „Koning eene schuld kan contracteeren ten laste van de Over„zeesche Bezittingen, wanneer die schuld bij voorbeeld strekt „tot de uitbreiding van de cultuur;.... maar men betwistte „de bevoegdheid, om die zelfde Koloniën of die zelfde producten te bezwaren met eene schuld, die gestrekt heeft of „strekken moet om in de behoeften te voorzien van het Moederland. Men meende alzoo dat ten deze onderzocht moest „worden waartoe de 39 millioenen, die de Handelmaatschappij „heeft te vorderen, hebben gediend, en dat de beantwoording „dezer vraag niet twijfelachtig kan zijn: dat toch de Over„zeesche Bezittingen gedurende den tijd dat de schuld is ont-

') Bedoeld wordt artikel 197 der Grondwet van 1840. Wat intusschen dit artikel, dat alleen de belangen van de schuldeischers van den Staat wil bevorderen, zou kunnen beslissen aangaande de bevoegdheid van den Koning tot het decreteeren van koloniale leeningen, is moeilijk in te zien. ') Bijlagen 1840/1841, blz. 218.

Sluiten