Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„staan, zich rijkelijk met liare eigene inkomsten hebben kunnen „staande houden, zoo zelfs dat nog aanzienlijke baten door het „Moederland zijn genoten; dat wanneer het Moederland door „voorschotten te nemen op de producten niet zoo overmatig „veel op de Overzeeschc Bezittingen had gedisponeerd, er geene „schuld ten behoeve van de Handelmaatschappij zou bestaan; „dat van de 39 millioen door de Overzeesche Bezittingen niets, „door het Rijk alles is genoten ...Om kracht aan het betoog bij te zetten wordt ten slotte nog beweerd, „dat de Koloniën „zijn en blijven het eigendom van het Rijk" en dat dus over het batig slot alleen door den „eigenaar" of „deszelfs Wetgevende Magt kan worden beschikt."

Wij weten, wat wij van dien Staat, eigenaar van zijn koloniën, hebben te denken. In het licht van het voorafgaande wekt deze uitdrukking bevreemding. Wij mogen onder haar wel in de laatste plaats den gewonen eigendom van het burgerlijk recht verstaan. Behoedzaamheid bij deze politieke debatten, waar van den kant der Staten-Generaal elke gelegenheid werd aangegrepen, om hun macht, ook in koloniale zaken, te vergrooten en men het met de argumenten en hun onderlinge harmonie niet zoo nauw nam, kan moeilijk te zeer worden betracht.

Eén ding intusschen staat vast: het argument ter bestrijding van de contracten was het grondwettelijk budgetrecht der wetgevende macht dat zich ook uitstrekte over 7?i}'£s-schulden. Daarmede had men bij deze contracten te doen. *) Men twijfelde aan des konings bevoegdheid, om zonder toestemming der Staten-Generaal leeningen ten name van de koloniën aan te gaan; men meende, dat het woord „opperbestuur" deze bevoegdheid niet omvatte, doch men kon deze vraag hier laten rusten. Hier ging het om een Rijks-schuld, hier moest een bres, in het budgetrecht geschoten, ten spoedigste worden gedicht. Dat men dus uitging van een méér dan administratief onderscheid, dat het juridisch verschil tusschen beide soorten van schuld door de afdeelingen werd aanvaard, wie zou het kunnen loochenen?

') Ik herinner aan de (boven blz. 36) aangehaalde woorden van Baud, dat de producten, zelfs als ze nog op zee waren, reeds als Hijkseigendom moesten worden beschouwd.

Sluiten