Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hebben genomen, dat er twijfel bestaat omtrent den uitsluitend „Kolonialen aard der schuld, welker kwijting is geregeld bij „het contract van kapitalisatie op den 23/26ste" Julij 1840 „tusschen het Departement van Koloniën en de Nederlandsche „Handelmaatschappij gesloten en bij eene overeenkomst van „den 25/3l&te" Maart 1841 gewijzigd. Dat de uitvoering van „die contracten eenen onmiddellijken invloed heeft op de „geldelijke aangelegenheden des Rijks "

Naar aanleiding van opmerkingen, gemaakt in de afdeelingen, dat men, zooals de beweegreden nu luidde, daaruit zou opmaken, dat de Koning wel bevoegd was schulden van „uitfluitend Kolonialen aard" aan te gaan, en men dit punt bij deze gelegenheid niet wilde beslissen, werden deze woorden door de voorstellers geschrapt, zoodat nu overwogen werd: „dat er^ verschil van gevoelen bestaat omtrent den aard der „schuld," waarmede, meen ik, juist hetzelfde is gezegd, daar de geschrapte woorden overtollig waren. Er wordt onderscheid gemaakt naar gelang van den aard der schulden. Men is het er over eens, dat alle overeenkomsten, dien het Rijk geldelijke verplichtingen opleggen, bij wet moeten worden bekrachtigd, maar men verschilt over de vraag: óf door de voorschotten der Handel-Maatschappij het Rijk is verbonden. En als nu het Rijk niet partij in deze zaak geweest was? Dan was natuurlijk Nederlandsch-Indië de jegens bedoelde maatschappij verbonden persoon. Allen, die wegens den aard der schuld overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van wettelijke bekrachtiging, allen ook die twijfelen nopens dien aard, allen ten slotte, die met Baud verzekerd zijn, hier met een „zuiver koloniale aangelegenheid, «}mt een koloniale schuld" te doen te hebben, nemen de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië tot uitgangspunt. Had men den voorstellers bewezen, dat deze schuld was een schuld van Nederlandsch-Indië, zij zouden hun ontwerp hebben ingetrokken.

Bij de openbare beraadslaging viel, gelijk te verwachten was, aan het ontwerp weinig bestrijding ten deel. Voornamelijk was het Mr. G. Kniphorst, die in deze de incompetentie der wetgevende macht voorstond. ') „De wetgevende Magt. ... is „in zekeren zin het afschijnsel van den Almagtige, de Jehovah „met betrekking tot den Staat; maar zij kan ook juist daarom

') Handelingen 1841/1842, blz. 148.

Sluiten