Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„niet verbonden worden door daden van anderen. De Handelsmaatschappij is hare gehoorzame dienares, evenals andere „ingezetenen Nooit kan de Wetgevende Magt met de Handelmaatschappij als partie égale in contract treden. ... Wat is „toch, als men de stukken inziet, eigenlijk de inhoud der „contracten? Niet alleen verbindt de debiteur daarbij de vruchten „der Overzeesche bezittingen, die men reeds van den Almagtige „heeft ontvangen, maar ook degenen, die nog aldaar zullen „wassen. Hij verbindt zich om zijne huishouding geheel naar „het goedvinden van den crediteur in te rigten, en om in „ongelegenheden alleen van den crediteur hulp te vragen. . . „Als het hier een gewoon geschilstuk van burgerlijk regt gold, „zou er geen regter zijn, die aan zoodanige contracten eene "bekragtiging schonk. En dan zouden H. E. M. de uitvoering „van zoodanige contracten bij de wet willen gelasten! Met overgroote meerderheid aangenomen, 49 tegen 3 stemmen, werd het ontwerp van Bruce, Tromp en Luzac de wet van 10 Juli 1842 (Staatsblad 1842, n°. 22). ')

Het is, meen ik, onomstootelijk, dat deze heele geschiedenis van de contracten met de Handel-Maatschappij, welke op wettelijke bekrachtiging uitliep, aan de leer van de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-lndië andermaal een waardevollen steun verleent. Het wil er bij mij niet in, dat men, uitgaande van de eenige mogelijkheid van Rijksschuid, deze administratief naar gelang van de bestemming der geleende gelden zou hebben willen indeelen met het daaraan verbonden rechtsgevolg, dat het voor de Rijksschulden, ten behoeve der koloniën gecontracteerd, ten minste twijfelachtig was, of ook daarover de bevoegdheid der wetgevende macht zich uitstrekte. Vooral mogen wij dit niet aannemen, omdat de considerans aanvankelijk zeer beslist tusschen Rijks - en koloniale schulden onderscheidde, en later welis-waar de tegenstelling schijnbaar is verzacht, doch met het uitgesproken doel om een misbruik, dat hier van het argumentum a contrario te duchten was, en waardoor de vraag aangaande de bevoegdheid tot het aangaan van schulden, wèl van „uitsluitenden Konialen aard" gepraejudicieerd scheen, te voorkomen.

Reeds had ik gelegenheid (blz. 37) op het ontwerp te wijzen tot

') Li het Indisch Staatsblad niet afgekondigd.

Sluiten