Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij zien de leeningwetten ten tooneele verschijnen en den Hoogen Raad bij zijn arrest van 1844 de rechtspersoonlijkheid van Neder!andsch-Indië schragen met zijn gezag

Wij wrijven ons vergenoegd de handen en vragen aan Indië: „Was willst du mehr?" Wanneer naar geldend recht dit alles werkelijk zoo is, — en wie twijfelt aan de waarheid der door mr. Van Nierop genoemde feiten, aan de rechtskracht der door hem geciteerde bepalingen? — dan is de quaestie immers opgelost! Neen, zegt mr. Van Nierop, wij zijn er nog niet. De medaille heeft haar keerzijde.

„Kan Indië," aldus de afgevaardigde van Noord-Holland, ,kan Indië het Indisch vermogen verbinden? Dat is de vraag, „want of Indië een rechtspersoon is, dat is op zich zelf eigenlijk „een academische quaestie."

Ik sta verwonderd. De rechtspersoonlijkheid van Indië een academische quaestie? De voorwaarde voor de bevestigende beantwoording van „de" vraag, door den spreker gesteld, van bloot theoretisch belang? Misschien dacht het toenmalig raadslid van Amsterdam aan het vereischte voor gemeenteleeningen van goedkeuring door Gedeputeerde Staten, maar, wil ik vragen, is de rechtspersoonlijkheid van Amsterdam niet de allereerste eisch, opdat Amsterdam onder hoogere controle leene? En is zij dan niet van uitnemend praktisch gewicht?

Mr. Van Nierop beroept zich op Thorbecke (zie boven blz. 104); — ik wenschte dit ook te kunnen doen. Ik moet mij er toe bepalen te verklaren, dat het beroep op een man zelfs van zijn gezag een vraag van recht niet kan beslissen, en dat Thorbecke zelf in het jaar van het gedenkwaardig arrest van den Hoogen Raad, in 1844, aan zijn theorie, zij het tijdelijk, ontrouw is geworden. —

Bij zijn bespreking van het ontwerp-RocHussEN behoeven wij mr. Van Nierop niet te volgen: het is geen wet geworden. Wel blijkt uit de verklaring van Van de Putte, in antwoord op de vraag waarom hij niet een gelijkluidend artikel 1 in zijn ontwerp had opgenomen, ten duidelijkste, dat hij hier met Rochussen niet van meening verschilde. Maar, wil ik vragen, wat gaat ons de meening aan zelfs van Van de Putte, wanneer zij niet expressis verbis in zijn wetsvoorstel is neergelegd ? Vooral, als wij, haar bindende kracht een oogenblik aanvaardend, ten opzichte van artikel 14 tot ongerijmdheden komen?

Sluiten