Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want ik herhaal wat ik vroeger zeide: dit artikel is in het stelsel van finantieele eenheid eenvoudig onverklaarbaar. Ik geef onmiddellijk toe, dat het een verbod is, gericht tegen Koning en Gouverneur-Generaal. Maar heeft zulk een verbod, als het om Rijksschulden gaat, werkelijk eenigen zin? Is het dan in een Indische comptabiliteitswet op zijn plaats? Zeker, het is dwaasheid, dat de wet den wetgever bevoegd zou verklaren „om ten laste van Indië te leenen zonder aansprakelijkheid van den Staat der Nederlanden." Maar de dwaasheid, dat de wet aan den wetgever den weg wilde ontsluiten voor leeningen ten name van het Rijk, of dat zij den Koning wilde beletten dien weg op te gaan, is al even groot. Het artikel verbiedt. Dit is noodig. Anders zouden Koning en GouverneurGeneraal met Raad van Indië als lagere wetgevers van de kolonie tot leenen te haren name wel bevoegd zijn geweest, anders hadden dezen het pas gevestigde budgetrecht der wetgevende macht ten aanzien van de Indische financiën voor een groot deel illusoir kunnen maken.

Mr. Van Niebop hecht veel aan de geschiedenis van het artikel, aan het antwoord van Van de Putte op een aanmerking der afdeelingen. Ik vind mij tusschen den tekst en haar geschiedenis geplaatst. Gene is zoo klaar, als deze duister. De keuze valt niet moeilijk.

Zoo is dan artikel 14 van een wapen tegen de leer, die ik verdedig, er een te harer bescherming geworden. Een bewijsgrond, in verband met de geheele geschiedenis, die ons vraagstuk achter zich heeft, van* zoodanig gewicht, dat het argument, aan het veelvuldig in deze wet voorkomende woord „Staat" ontleend, mij, bij de slordigheid van onzen wetgever, bij het algemeen bekende misbruik, dat in de koloniale wetgeving met „Rijk" en „Staat" plaats grijpt, poover voorkomt. Men denke eens even door, tot welk een structuur van den Staat der Nederlanden men geraakt, wanneer men het Rijk of den Staat tot subject maakt van het gezag in Indië, tot eigenaar van het koloniaal domein. Men komt allerwege tot gekunstelde constructiën, vooral als men, wat bezwaarlijk op goede gronden anders kan, wèl de rechtspersoonlijkheid van Suriname en Curacjao aanvaardt.

Bij zijn uitlegging van artikel 14 der comptabiliteitswet voelde mr. Van Nierop natuurlijk wel, dat het een herhaling

16

Sluiten