Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„wordt geschorst." Dergelijke voorschriften kunnen de leer van de „eenheid'' bezwaarlijk tot een stevigen steun strekken. Want, daargelaten dat deze bepalingen onze vraag niet willen behandelen noch haar, als b.v. de leeningwetten, tot uitgangspunt nemen, is dit hangen aan woorden bij de algemeen erkende nonchalance in de wetgevende taal voor een theorie het bewijs van haar zwakte.

In de memorie van toelichting op het wetsontwerp betreffende een geldleening ten laste van den Staat (de latere wet van 16 Maart 1883, Staatsblad n°. 34), waarbij Indië belast werd met rente en aflossing van een kapitaal ad 45 millioen, achtte de regeering een koloniale leening niet wenschelijk'). Toen nu, zonder aanvoering van eenig bewijs, in het voorloopig verslag de mogelijkheid van zulk een leening ontkend werd, omdat Indië geen publiekrechtelijk lichaam was 2), is de regeering met betrekking tot onze rechtsvraag gaan wankelen 3). Intusschen dient er op gewezen, dat inmiddels De Brauw als minister van koloniën Van Goltstein was opgevolgd.

In het derde hoofdstuk hebben wij gezien, dat alle pogingen, om de finantieele verhouding wettelijk te regelen, te kampen hadden en schipbreuk leden op een oppositie, die „finantieele „eenheid" in haar vaandel en in de Grondwet schreef. Zoo hebben wij Jhr. Mr. J. Röell het ontwerp-van Dedem tegen hevige bestrijding in bescherming hooren nemen, toen hij zeide, dat de „letter van de Grondwet voor de financieele „eenheid niet pleitte.'' Ook mr. H. C. Verniers van der Loeff liet zich in dezen geest bij die gelegenheid uit: 4) „En wanneer Indië het geld nu niet heeft? vroeg de geachte afgevaardigde uit Eindhoven 5). In dat geval zal Indië „voor de som worden gedebiteerd en ons des noods voor het „bedrag rente betalen. Daartegen kan — ik zal zijn eigen „woorden gebruiken — noch jure noch facto eenigerlei beswaar bestaan. Jure niet, omdat artikel 14 van de comptabiliteitswet Indië erkent als bevoegd om schulden aan te

') Bijlagen 1881/1882, n°. 162, 3, blz. 3.

»> Bijlagen 1882/1883, n°. 59, 1, blz. 2 § 4.

') Bijlagen 1882/1883, n°. 59, 2, blz. 7 § 4.

*) Handelingen 1884/1885, blz. 868.

®) Mr. A. J. H. van Baar. Bedoeld is natuurlijk het geld van den restitutiepost ad vier millioen.

Sluiten