Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„van 9 April 1897 (Staatsblad n°. 84), houdende regeling van „de jaarlijksche uitkeering uit de opbrengst der Nederlandsche „bedrijfsbelasting aan de Nederlandsch-Indische geldmiddelen.

„lntusschen verlieze men niet uit het oog dat, evenals „Nederland met Indië, Suriname en Cura^ao het koninkrijk der „Nederlanden, den Staat (in ruimeren zin) vormen, zooals ten „overvloede uit artikel 1 der Grondwet blijkt, evenzoo de ver„mogens van die vier deelen samen het vermogen van den „Staat uitmaken Wanneer de Staat uitgaven doet of inkomsten krijgt, kan dat niet anders dan uit de financiën van een „of meer van die vier deelen van den Staat geschieden '), en „waar niet uit den aard der zaak voortvloeit met welke financiën dat het geval is, wordt dit bij de wet vastgesteld, zoo„als bijv. geschiedde bij de wet van 7 Juli 1902 (Staatsblad „n°. 123) en artikel 2 der wet van denzelfden datum (Staats„blad n°. 148) betreffende uitgaven respectievelijk voortvloeiende „uit eene overeenkomst met de Duitsche Regeering tot het tot „stand brengen van kabelverbindingen en uit eene overeen„komst voor het onderhouden van een geregelde stoomvaartdienst tusschen Java, China en Japan.

„In het vorenstaande is niet voorbij gezien dat ten tijde van „de totstandkoming van het Regeeringsreglement en de Comptabiliteitswet, de leer van de eenheid der Nederlandsche en „Indische financiën algemeen werd aangenomen en velen op „dien grond de naasting2) van Indische baten verdedigd heb„ben, doch hierin kan geen aanleiding worden gevonden tot „wijziging van de boven omschreven zienswijze, die op de „bestaande wetgeving en practijk is gegrond. Die leer van „de eenheid der financiën hield nauw verband met thans niet „meer gehuldigde denkbeelden over de taak van het moeder-

l) Ik wijs er even op, dat hier het woord „Staat" zoowel in persoonlijken als terrilorialen zin voorkomt, ten bewijze, dat het bijna ondoenlijk is, zonder omhaal van woorden beide beteekenissen scherp uiteen te houden. Mits door het verband, waarin de woorden voorkomen, geen verwarring ontsta, verdient een elliptische zegswijs als: „gronddeel van het Rijk," „Staatshoofddeel", boven het omslachtige: gemeente, wier gebied deel uit„maakt van het Rijksgebied' enz. de voorkeur." Men houde daarbij voor oogen, dat een persoon (individu) geen deelen, wél zijden heeft.

i H(?t woord „naasting wijst op verschillende eigenaren : hier is het natuurlijk in administratieven zin bedoeld.

Sluiten