Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„besteed." — Het behoeft, dunkt mij, geen betoog, dat de intrekking van artikelen die van administratieve eenheid van financiën uitgingen, nimmer ten gevolge kon hebben, dat nu aan de denkbeelden betreffende een eigen huishouding van „Nederland" en van Indië de vaste bodem der wet werd gegeven.

Minister Idenbukg zag in, dat hij met een wettelijke bezegeling van de bestaande finantieele verhouding niet kwam, waar hij wezen wilde. De nota deed het beste hopen. Totdat de eerste-kamerdebatten van December 1904 oorzaak werden, dat de met groote warmte verdedigde plannen eener zuiver-koloniale leening verschoven werden... ad calendas graecas? De minister liet doorschemeren, dat, hoewel nu de tijd voor zulk een leening nog niet gekomen was, hij, bij een mogelijke verlenging van zijn ministerieel leven, aan zijn leeningplannen zou blijven vasthouden.

Gelukkig blijkt het tegenwoordig kabinet bereid de door minister Idenburg nauwlijks ter hand genomen taak te willen voleinden. De teekenen ten gunste van een eindelijke oplossing van het vraagstuk in dien geest, dat nu voor eens en altoos zal worden uitgemaakt, dat Nederlandsch-Indië op het stuk van rechtspersoonlijkheid niet voor Suriname en Curapao onderdoet, en dat mitsdien „de juridische grondslag eener Indische leening niet meer aanvechtbaar zal blijken," *) vervullen met gegronde hoop.

Immers: mr. Th. H. de Meester, die, gelijk wij zagen, in April 1905 in het Indisch Genootschap een rede hield over „Koloniale leeningen" en bij die gelegenheid een lans brak voor het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan NederlandschIndië, waardoor dergelijke leeningen zouden mogelijk worden, — alsmede mr. D. Fock, die als kamerlid zijn ingenomenheid met de nota - Idenburg betuigde2) en daarna zijn verwondering uitsprak over het retireeren van dien minister, 8) zijn thans leden van het kabinet. Het is ongetwijfeld aan de ministers Fock en De Meestee te danken dat de troonrede van 1905

') Woorden van minister Idenbdrg.

*) Handelingen tweede Kamer 1902/1903, blz. 978, bij de beraadslaging over de wijziging van de Indische comptabiliteitswet: „de Nota.... een Staatsstuk .... van blijvende waarde."

") Handelingen tweede Kamer 1904/1905, blz. 1295.

Sluiten