Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.kr zijn twee besluiten van den Souvereinen Vorst, beide van 18 December 1813, inhoudende, dat van gouvernementswege een Nederlandsche Staatscourant resp. een Staatsblad der Vereenigde Nederlanden zal worden uitgegeven, hetgeen, naar luid van het eerste artikel, zal plaats hebben „ten behoeve van „den Lande."

Het besluit, van 26 Maart 1814 (Staatsblad n°. 46) houdende .provisionele bepalingen wegens de toekomstige uit„oefening der voormalige heerlijke regten" bepaalde in artikel 11: „Wij reserveeren aan Ons, omtrent de invordering van eenige lands-middelen, door of vanwege „de gemeente zelve, zoodanige nadere schikkingen daar te „stellen, als Wij zullen geschikt oordeelen, om het belang «van den lande met dat der gemeente in overeenstemming te „brengen."

De wet van 9 Juli 1814 (Staatsblad n°. 76), bevattende een Instructie voor de Algemeene Rekenkamer der Vereenigde Nederlanden, schreef in haar artikel 40 voor: „De leden en de „secretaris der Kamer mogen direkt of indirekt geen aandeel «hebben.... in eenige zaak, waarover met den Staat om voordeel of winst wordt gekontrakteerd.

„Het is almede verboden eenige ordonnantie of andere pretensie, ten laste van den lande, te koopen of voor hunne „rekening te nemen."

De tegenwoordige Instructie (wet van 5 October 1841, Staatsblad n°. 40) bepaalt in artikel 2: „De leden en de secretaris «van de Algemeene Eekenkamer zullen .... uit geenerhande „hoofde aan den lande rekenpligtig mogen zijn;" artikel 43 derzelfde wet schrijft voor: „Het geheel of gedeeltelijk opheffen van borgtogten, gesteld tot zekerheid van den lande, „door rekenpligtigen of andere schuldenaren van den Staat... „zal niet anders geschieden dan met toestemming van de Al„gemeene Rekenkamer."

De Grondwet van 1848 heeft „Land" in allerlei woordkoppelingen en naamvallen passim. Zelfs de herziening van 1887 heeft haar daarvan niet geheel kunnen zuiveren. Ik wijs op „landsbediening" in artikel 5; „'sLands kas" o.a. in de artikelen 24, 28, 30 ; „den Lande" in artikel 25.

Een voorbeeld uit den laatsten tijd geeft het koninklijk besluit van 10 April 1899 (Staatsblad a°. 104) dat bepaalt: „a. Het

Sluiten