Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevrijwaard, maar hij zou in dien strijd de redelijkheid aan zijn zijde hebben gehad. En — ik vroeg het boven reeds (blz 249) — waarom heeft de minister zich tot een Eereschuldnota bepaald en niet het ontwerp-ckemer met de bepalingen aangevuld, noodig om de quaestie op te lossen?

Zelfs wanneer de aanhangers van de leer der eenheid gelijk hadden, wat ik moet ontkennen, had hun de rechtsregel: lex posterior derogat legi priori quatenus ei contraria est, in herinnering moeten zijn gebracht. Het eenige bezwaar, uit staatsrechtelijk oogpunt, ware de Grondwet geweest. Mr. Van Houten, in zijn tornooi met den minister op 30 December 1904, heeft het grondwettelijk bezwaar opgegeven. Hoe zou dan redelijkerwijs de juridische grondslag van zulk een op de wet berustende leening aanvechtbaar wezen'? Het is mij niet mogelijk, dit in te zien. Zelfs indien de leening, tot stand gekomen, achteraf geoordeeld werd in strijd met de Grondwet te zijn geweest, zoo zou artikel 121, tweede lid, van de Grondwet haar redden.

Een Indische leening zou te duur zijn gebleken. Dit ware, mits gestaafd, voldoende rechtvaardiging voor de veranderde gedragslijn. Waarom dan naast de uenschelijkheid ook de mogelijkheid in twijfel getrokken door aan een „aanvechting" een plaats in te ruimen, die haar, als van wettelijken aard, tegenover een ontwerp van wet niet toekwam?

Het leeningontwerp, zonder hoofdelijke stemming in beide kamers aangenomen, werd de wet van 18 Maart 1905 (Staatsblad d°. 97; Indisch Staatsblad n°. 304).

Wij zagen reeds (boven, blz. 251), dat de troonrede van 1905 de oplossing onzer vraag heeft in uitzicht gesteld.

In de memorie van toelichting, behoorende bij de Indische begrooting voor het dienstjaar 1906, vinden wij mede een passage, die in deze richting wijst. Wijzende op de nieuwe methode, die gevolgd werd bij het ontwerpen van deze begrooting, zegt minister Fock het volgende'): „De Minister Idenbürg „achtte aan die werkwijze nog het voordeel verbonden, dat „daardoor een stap wordt gedaan in de richting van grootere „zelfstandigheid van lndië op financieel gebied 2) en een toestand „wordt voorbereid, waarin de Indische begrooting in lndië

') Bijlagen 1905/1906, Bijlage B. 4, 7, blz. 13 eu 14.

') Cursiveering van mij.

Sluiten