Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4 November 1820, gereduceerd tot f 134.256,41, bedroeg de totale te vorderen som met de rente a 63/0 nu f 169.834,36. In de conclusie wordt voorts medegedeeld dat „de eischers „vruchteloos getracht hebben in der minne voldoening hunner „wettige vordering te bekomen...; dat zij hunne vordering „hebben doen gelden voor de Regtbanken in Nêerlands-Indië, „waar aldaar, trots alle denkbeelden van regt, is verstaan, dat „deze zaak niet vatbaar was om door regterlijke gewijsden „te worden beëindigd; dat het intusschen zeker is, dat de „Nederlandsche Staat te dezen is de debiteur, en het aan elk „Nederlander is gewaarborgd, onverlet de plaats waar eene „schuld is gecontracteerd, den Staat in regten te betrekken, „wanneer het eene schuldvordering en alzoo eene quaestie „de meo et tuo geldt." Deze conclusie en het uitvoerige pleidooi van mr. P. C. Schooneveld, waarbij zelfs Grotius en Pufendorf argumenten moesten leveren, werden beantwoord bij conclusie en pleidooi van mr. Faber van Riemsdijk. Daarin lezen wij: „De eischers voeren wel is waar bij hunne dagvaarding aan, „dat de Nederlandsche Staat debiteur en daarom aansprakelijk „zoude zijn, doch het kan zeker niet aangaan, dat tegen den „Staat alhier zouden kunnen worden ingesteld alle vorderingen, „welke uit de handelingen en verbindtenissen der Indische „Regering zouden voortvloeijen, en dat de Staat hier te lande „debiteur zoude zijn van al hetgeen de Indische Regering in „Indië schuldig is, zoodanig dat het aan de keuze van eiken „crediteur zoude staan, om naar welgevallen of de Indische „Regering in Indië, of den Staat alhier in regten aan te „spreken; ja zelfs, om gelijk in dit geval eerst de Indische „Regering en, bij het mislukken der vordering, den Staat alhier, „of omgekeerd, in regten te betrekken." Hierop steunde de verdediger zijn exceptie: ha.ec actio non competit adversus me. Ten principale werd geantwoord: „De eischers hebben geen „regt om de ingestelde vordering het zij tegen den Staat, het „zij tegen de Indische Regering te doen, om de eenvoudige „reden, dat de verbindtenissen waarop zij zich beroepen, niet „door de Nederlandsche of Hollandsche Indische Regering „zijn aangegaan, en derhalve noch de Staat der Nederlanden, „noch de tegenwoordige Indische Regering, daarvan debiteur „zijn.

„De heer Daendels toch heeft de in de bons vermelde

Sluiten