Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar er staat niet: als orgaan van u ien de Koning de regeering over de kolonie in Azië uitoefent, als orgaan van Rijk of Staat, dan wel juist als orgaan van Nederlandsch-Indië. Daarover moest het artikel zich uitlaten, wilden wij voor onze vraag er iets aan hebben. Het wekt verwondering, dat mr. Margadant zich niet op artikel 3, 2do lid, van het regeeringsreglement beroept: dit biedt heel was vaster steun.

Al valt er dus wel op de kracht der aangevoerde argumenten af te dingen, zoo verheugt het mij toch mr. Margadant, specialiteit op het gebied van het Indische „staats"-recht, aan mijn zijde te hebben.

Met mr. Ph. Kleintjes is het, gelijk wij reeds zagen (boven blz. 254), niet anders. Ook hij neemt iii zijn nog recente (1903) systematische bewerking van het Indische staatsrecht de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië aan.

Wat zegt mr. Kleintjes? Kort maar afdoende weerlegt hij èn mr. van Houten èn mr. Levy, waar dezen bij artikel 1 der Grondwet voor hun leer van eenheid van financiën hulp en steun zoeken „Ik meen," aldus de schrijver '), „dat de territoriale eenheid van moederland en koloniën, welke artikel 1 „Grondwet voorschrijft, de rechtspersoonlijkheid van Nederlandsch-Indië niet verhindert of in den weg staat

„Zeker, de koloniën zijn deelen van het koninkrijk der „Nederlanden, doch op financieel l) gebied zelfstandige deelen. „Zij hebben, hoewel deel uitmakende van den Staat, eigen „algemeene verordeningen en haar bestaan openbaart zich door „eigen organen.

„Ik zie in de koloniën complexen van eigen financieele zelfstandigheid, afzonderlijke rechtspersonen, die burgerlijke rechts„capaciteit bezitten.

') Het Staatsrecht van Nederlandsch-Indië, II, blz. 170 v.

®) „Financiëel" is een ongelukkig woord. Het wekt bij velen de gedachte, als zou het „privaatrechtelijk' beduiden. Uit hetgeen volgt meen ik te mogen opmaken, dat mr. Kleintjes beide rechtsgebieden op het oog heeft gehad en Indië niet, op het voetspoor van den raad van justitie van Semarang en van mr. Abexdanon, een eigen bestaan ju re publico heeft willen ontzeggen. Vooral het beroep op mr. De Louter, die, naar wij zagen, wel dit bestaan aanvaardt, doch, halverwege stilstaande, van rechtspersoonlijkheid in burgen-echtelijken zin niet wil weten, stelt te dezen opzichte gerust.

Sluiten