Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Grondwetgever geeft aanwijzingen genoeg om die zelfstandigheid aan te nemen, waar hij de koloniën behandelt als „complexen, die een eigen regeering, een eigen muntstelsel, „een eigen financieel beheer, en eigene geldmiddelen hebben, „waar hij in artikel 59 lid 2 spreekt van verdragen, die aan „het Rijk — dus enkel aan het Rijk in Europa — geldelijke „verplichtingen opleggen, daardoor stilzwijgend erkennende, „dat ook op de koloniën financieele verplichtingen kunnen wor„den gelegd 1).

„Wat Nederlandsch-Indië betreft, wordt deze kolonie vertegenwoordigd door den Gouverneur-Generaal. Genoemde bezitting kan zelfstandig overeenkomsten aangaan, zich zelve „verbinden, eischende en verwerende in rechten optreden, heeft „als zoodanig een zelfstandig vermogen en hare geldmiddelen „zijn afgescheiden van die van het moederland in overeenstemming met het grondwettig voorschrift, hetwelk spreekt „van „„koloniale"" geldmiddelen (art. 62 Grondwet)."

Volgt het reeds aan ons bekende gedeelte (zie boven, blz. 254), waarbij op „den Lande" een beroep gedaan wordt. De schrijver gaat voort: „verder dienen genoemd te worden arti„kel 3 regeeringsreglement en artikel 52 C. W., die spreken „van schuldvorderingen ten laste van Nederlandsch-Indië en „artikel 14 dor laatstbedoelde wet, die de mogelijkheid van „geldleeningen ten laste van die kolonie vierkant uitspreekt. „En in artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 16 October „1897, Staatsblad N°. 296, waarbij de oprichting van een postspaarbank in Indië wordt bevolen, heet het, dat de Regeering „van Nederlandsch-Indië zonder eenig voorbehoud aan de „inleggers de teruggave hunner inlagen en de betaling der „daarover verschuldigde renten waarborgt'2).

„Volgens de Nederlandsch-Indische wetgeving is aandejuri„dieke persoonlijkheid dan ook niet te twijfelen.

„Bestaat er naar bescheiden meening geen financieele eenheid

') Sterk kan ik dit argument niet noemen. Het steunt op een a contra/in redeneering, die het beter is, vooral bij onze Grondwet, welke veel heeft van een oud kleedingstuk, waarop nu en dan een nieuwe lap is aangebracht, te vermijden. Bovendien heb ik pogen aan te toonen dat het woord „Rijk" (in Europa) in dit artikel misplaatst is.

a> Alleen sterk als men dit voorschrift legt naast de overeenkomstige bepaling der Xederlandsche wet van 1880 (boven blz. 277).

Sluiten