Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„terug, maar het lijdt geen twijfel dat, zoo die woorden hier „reeds niet als overtollig moeten worden aangemerkt, zij dezelfde „beteekenis hebben, die zij in de constitutie van 1806 hadden."

Het is, dunkt mij, moeilijk met elkaar te rijmen, wanneer Buys aan den eenen kant vooropstelt, dat in 1815 aan den strengen technischen zin der woorden weinig aandacht werd geschonken en het meest kenmerkende van de Grondwet haar slordige redactie was, en hij aan den anderen kant een interpretatie onaannemelijk noemt, omdat daardoor de woorden „bij uitsluiting" een overbodigheid zouden inhouden, een overbodigheid, waartoe die zelfde Grondwet, waarvan juist zooveel kwaads is gezegd, niet in staat wezen zou. "Wemelt de Grondwet niet van overbodigheden ? Kan niet reeds haar eerste artikel zonder schade worden gemist ? En zijn al die bepalingen, waarbij het een of ander aan de wet ter regeling wordt opgedragen, door artikel 56 der Grondwet van 1887 niet overbodig geworden, voorzoover zij althans door het bijgevoegde niet beoogen den wetgever te binden?

Bewijst voorts professor Buys aan de Grondwet ook niet te veel eer, wanneer hij zegt, dat na de herziening van '40 de interpretatie van Thorbecke niet meer kon worden volgehouden 4) ? Steunt die meening niet op het argumentum a contrario, bij een Grondwet, wier kenmerk slordigheid van redactie is, met de uiterste behoedzaamheid te hanteeren, zoo al niet verboden ? Blijkt niet uit het tweede en het derde lid van artikel 59 der Grondwet van 1840, dat alleen op het gebied der koloniale financiën de bevoegdheid van den wetgever was ingekort ?

Wanneer Buys zegt: „De koloniën staan in 1815 geheel „buiten de constitutie," daarmede willende te kennen geven, dat ook de werking van artikel 105 tot het Rijk in Europa beperkt bleef, zoo is dat een stelling, die bewijs behoeft. Zou ook toen niet reeds stilzwijgend gegolden hebben de bepaling van artikel '2 der tegenwoordige Grondwet? Zoo was toch de bepaling van artikel 56 betreffende het bestuur der buitenlandsche betrekkingen ook voor de koloniën van belang, omvatte het recht van oorlog en vrede, in het volgende artikel den Koning opgedragen, de koloniën evenzeer als het Rijk. De voorschriften over troonopvolging, voogdij, regentschap en

l) T. a. p. blz. '230.

Sluiten