Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vruchtenuitkeering wordt beperkt tot de na de dagvaarding genotene. Iets minder zniver is reeds het laten vallen van de vordering tot lijfsdwang.' Docli de redeneering faalt, wanneer tevens de aard van liet geëischte verandert; géén minus, docli een aliud gevorderd wordt. Dan is van eigenlijke vermindering, zooals zij door de wet bedoeld is, géén sprake, zooals wanneer eerst echtscheiding, later scheiding van tafel en bed, of eerst een erfdienstbaarheid van dreef, later van voetpad wordt gevraagd.

Maar het bovengenoemde motief is óók op de vordering dezer accessoria van toepassing; tegen het naderhand concludeeren tot veroordeeling in proceskosten of renten is al bitter weinig verdediging mogelijk; en de toelaatbaarheid van tenuitvoerlegging bij voorraad of door lijfsdwang vindt de rechter in de wet, niet in de opmerkingen van gedaagde. Jk vermoed, dat de nieuwe opvatting haar ontstaan mede te danken heeft aan de opmerking m de mem. van toet. op het ontwerp 1865, dat de bedoeling der regeering in de wet niet te lezen zou zijn.8 Deze hint van hooger hand heeft suggestief gewerkt. Intusschen heeft dit ontwerp met zoovele woorden de vordering van accessoria tijdens liet geding toegelaten. En. wat de tenuitvoerlegging bij voorraad betreft, moet ik nog opmerken, dat deze krachtens art. 851 Rv. zelfs nog in hooger beroep kan worden gevorderd, 's Eischers belang bij herstelling eener oorspronkelijke omissie wordt door den wetgever dus zóó zeer beschermd, dat zelfs buiten het geding, waar/», de faculteit tegenwoordig ontkent wordt, executie bij voorraad kan worden verzocht!

1) H. R., 1'. v. J. 1901, 98; NV. 7671. Penning, Aant-, 58, noemt wijzigen alléén 't laten caren van accessoria.

2) Mem. v. toel. l-'6, a<l lik. II, tit. 1, art. 6, Se lid.

•*) Zie ten slotte over de verhouding van de bedoeling van de regeering en de uitlegging der afdeelingen, Voordnin, InI. 535.

Sluiten