Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de uitbreiding van de middelen, die reeds in de dagvaarding den gedaagde zijn, of moesten worden, bekend gemaakt.1 We kunnen hierover eerst nader uitweiden, wanneer we dien inhoud der dagvaarding hebben leeren kennen; maar reeds in de volgende paragraaf zullen wij constateeren, dat voor de beschouwing van dit leerstuk in onze wet het geheele tweede gedeelte van het artikel 134, en daarmede de uitlegging van dit begrip vermeerderen, van betrekkelijk gering belang is.

§ 5. DE BETEEKENIS VAN HET ARTIKEL, TEVENS IN HET LICHT DER GESCHIEDENIS.

We hebben nu de beteekenis van de verschillende factoren van art. 134 vastgesteld, en steeds naast elkander onderscheiden, wat van den eisch, wat van den grondslag van den eisch gezegd wordt. Ons rest nog te onderzoeken, welk verband tusschen beide groepen van voorschriften gelegd is. Nu wijzen de, als schakels dienende, woorden zonder nogtans er op, dat in het tweede gedeelte van het voorschrift geen zelfstandig verbod tot den eischer gericht wordt. De eischer is bevoegd tot vermindering of wijziging van zijnen eisch, zonder het onderwerp te veranderen; dwz. zonder bij deze vermindering of wijziging aan den feitelijken grondslag, waarop hij gemeend heeft, zijne vordering te moeten steunen, iets te veranderen of toe te voegen.2 Over dien grondslag wordt alléén gesproken, wanneer de eigenlijke eisch verandering ondergaat, hetgeen ten overvloede blijkt uit een, in de

1) In dien zin Amsterdam F. v. J. 1888, 125.

2) DHttrvnn een jroed voorbeeld (iorinehem \V. 2361.

Sluiten