Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den gedaagde minder intensief wordt gemaakt.1 Maar zuiver zijn de gevallen niet, omdat hier de rechter niet uit eigen beweging, ambtshalve, de verminderde vordering zou mogen toewijzen.

Het begrip van vermindering van den eisch is dus zeer eenvoudig. Maar toch doet zich een moeilijkheid voor. Men zou oppervlakkig kunnen meenen, dat een vermindering, vooral van zekeren omvang, of van een bepaald breukdeel, altijd tevens een afstand van instantie bevat. Immers, zoowel vermindering, als afstand van instantie, is het laten varen van den wensch, den rechter over een ééns ingestelde vordering te doen beslissen. Maar omdat vermindering uit den aard der zaak, en volgens art. 184, éénzijdig tot den afloop der zaak mogelijk is, terwijl voor afstand van instantie na 't antwoord de toestemming van gedaagde noodig is, schijnt art. 184 in strijd te zijn met, of te derogeeren aan, de artikelen 277 en v. En inderdaad vinden wij in onze jurisprudentie eenige voorbeelden van een dergelijk conflict. Zoo besliste de rb. in Arnhem, dat het laten vallen van den eisch tot onteigening van enkele — intusschen in deiminne verkregen — perceelen, door den eischer vermindering genoemd, als ongeoorloofden afstand van instantie moest worden beschouwd. - En géén afstand van i. noemde de kantonrechter te Schoonhoven,wanneer de eischer, een vordering tot betaling van loon en van schadevergoeding ingesteld hebbende, na het getuigenverhoor den laatsten eisch vallen laat. Ongeoorloofd daarentegen achtte de rechtbank van Groningen 4 de door den eischer zoogenoemde „vermin-

1' Zeker géén vermindering «le overgang van het steunen op eigendom op het steunen op medeeigendom. Het geldt hier de grondslag, niet de eisch. Tin-li toegelaten Breda W. 111%. lf. R-, P. v. J. 1902, 146 eischt, dat hot mindere wegens dezelfde oorzaak verschuldigd zij, nis 't meerdere.

2) Arnhem W. 8922.

3) Kgt. Schoonhoven W. 4807-

4) Groningen W. 3714; zie ook den Bosch W. 6490,

Sluiten