Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe te staan, ambtshalve tot betaling dier accessoria te veroordeelen. Mr. Pijnappel wilde echter in zijn praeadvies 1 niet verder gaan, dan den eischer toevoeging toe te staan „in den trant, als dit voor bijkomende vorderingen is voorgesteld bij art. (> van den l*ten titel, 2e boek, ontw. '65, luidende: „Bijkomende vorderingen, die uit de hoofd vordering voortvloeijen, ter betaling van proceskosten of moratoire interessen, tot invordering van vruchten of tot aanwending van een in de dagvaarding niet genoemd middel van executie, kunnen bij latere conclusiën, doch niet bij de mondelinge voordragt geschieden." '

Reeds nu heeft de wetgever het belang van partijen bij een Decentraliseerde behandeling in véél sterker mate op het oog, waar hij door de exceptie van verknochtheid het heele geding naar een anderen rechter verwijst, en door het toestaan van voeging samenhangende gedingen formeel vereenigt. Wel zal een nauwlettend praktizijn, die wat dagvaardingformules in zijn hoofd heeft, zelden van de bevoegheid gebruik behoeven te maken, daar zinsneden over renten, proceskosten, schadevergoeding, vruchtenuitkeering, lijfsdwang, ten uitvoerlegging bij voorraad gewone clausules zijn geworden.4 Maar vooral waar het accessoire vorderingen geldt, die bij afzonderlijke dagvaarding niet kunnen worden ingesteld,5 is de straf op de onattentie — niet van de partij,

1) 1(1. I 146 v.

2) Feitelijk is dit artikel in het ontwerp overbodig, omdat daarin in overeenstemming met de Fransche leer, in nog véél meer gevallen, dan de nu onder wijziging begrepene, het door een incidenteele vordering in het geding brengen van met de hoofdzaak connexe conclusiën wordt toegelaten. Zie bk. II, tit II, en m. v. toel. 137 v., welke by de vraag verwijlt, welke het onderseheid tussehen de Fransche en de tegenwoordige Nederlandsche wet zou zijn, ondanks de identiteit der terminologie.

3) Artt. 158 en 159 Rv.

•!•) Met verbreking van den regel: non ent judir ultra petita pnrtimn werd zelfs door sommige, bij Muther, K V S 9. 35*2 geciteerde schrijvers, in het oude Duitsche proces mnhtshnhf toewijzing der aec. geoorloofd geacht. Wach, Vortr., U spreekt van een controverse.

5) Hierover een uitvoerige studie bij Faure 1 j 30, *252 v.

4

Sluiten