Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar van den procureur — te groot.' Dit klemt ten onzent voor cle proceskosten, zoolang een onjuiste ineening over de lijdelijkheid van den rechter * de ambtshalve veroordeeling daartoe verbiedt;1 machinaal opnemen van clausules werkt schadelijk formalisme in de hand. En dit klemt evenzeer voor de sinds de dagvaarding verschuldigde moratoire interessen van geldschulden. De bezwaren tegen het liberale stelsel vervallen, wanneer bedacht wordt, èn dat tegen deze bijkomende vorderingen zoo goed als nooit een speciaal verweer wordt gevoerd, èn dat, neveneisch en hoofdvordering op dezelfde gronden gebaseerd zijnde, de voorbereiding van den gedaagde op de behandeling der hoofdzaak liein óók tot beantwoording van den neveneisch in staat stelt. Buitendien is het zeker onjuist, hier van een vermeerdering, eigenlijk óók, 0111 van een wijziging van den eisch te spreken. Aan den eisch wordt slechts een consequentie daarvan toegevoegd — ja, men zou zich kunnen voorstellen, dat reeds in het materiëele recht de samenhang werd uitgesproken, evenals het bijv. onnoodig is, in de dagvaarding nevens de levering de overhandiging der bewijzen van eigendom te vragen.4 5

1) Vgl., mut. mut. Riimelin ACP 88, 90: Kin jus strictum, we lelies au eine verkelirte Klagbegründung die Stral'e dauernden Recht» verlust es anknüpfen würde, ist ani Ausgange des 19 Jahrh. nicht denkbar.

2) Waarom voor ambtsli. veroordeeling noodig is, dat de/.e als een poena temere litigautium of als van openbare orde beschouwd wordt, is mij duister. M. v. T., ontwerp '65, 82.

8) Zie daarentegen $ 808 Alis 2, 821 C PO. Voor verschil v. gevoelen onder 't Fr. R: Hou. Faure II 274 v., alwaar bij de voorstanders nog te voegen; Berriat St. Prix. Mr. Rombacl., Themis 1891, 889 spreekt van : noodelooze formaliteit. Vroeger ten onzent als in 't Fr. R. Zie vooral: Regtsgeleerde Opstellen van Mr*. v. d. Hoeven en de Vries, 17 v. Op bl. 37 wordt aan de O. lloll. sa!utaire clausule herinnerd.

4) Art. 151M BW.

a) Zoo wordt in het Fr. R. vrij algemeen aangenomeu.dat de in art. 1158 C. C. (=1286 B. W.i bedoelde moratoire interessen ook zonder uitdrukkelijk gevorderd te zyn, moeten worden toegewezen. Zeer uitvoerige litteratuuropgave bij Zachariae-Crome j 2«7 n 12. 6la«8on, Précis I 276 v. daarentegeu ziet daarin — m. i. terecht — een verboden ultra petita, met een, hoewel zwak, beroep op art. 1207 C.C. Zie uog supra n. 4, |»ag. 49. Maar altijd wordt het naderhand rorderen goedgevonden.

Sluiten