Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handhaafde, dat het niet zóó ver gin^, als „het belang van de procesvoerende partijen en den regter wenschelijk maakt " Overigens wordt niet geprotesteerd.

IV. Na het vele afbreken zal opbouwen moeten volgen. En vóór wij gaan onderzoeken, welke regeling van liet instituut door onze wet wordt geboden en geduld, mogen wij eerst wel nagaan, of er dan werkelijk geen logische grondslag voor eenig verbod te vinden is; een criterium, dat aan het logisch denken ontleend, in elk geding en onder (die omstandigheden een onwijzigbaren factor aanwijst. M. i. is deze gemakkelijk te vinden. De eischer, meenende in eenig rechtsconflict het recht aan zijne zijde te hebben, roept den rechter tot het beeindigen 1 dier tot strijd leidende rechtsbetrekking te hulp. Die rechtsbetrekking is bijvoorbeeld de betrekking van hem, die een voorwerp in bruikleen gaf tot dengene, die het ontving; van den rechthebbende op zeker handelsmerk, tot hem, die dit recht schond; van den aangevaren schipper tot den veroorzaker dier aanvaring; van den commissionair, die een bepaalde opdracht ontving, tot zijnen lastgever; van den legataris tot den executeur, die afgifte weigert. Als in den meest primitieven gedingsvorm van het tweegevecht blijft de opheffing der specifieke rechtsverhouding in éénzelfde geding het omcijzigbare doel. Dat doel moet de eischer voor oogen blijven houden, en als normaal denkend mensch zal hij ook niet anders willen. Tweegevecht, godsoordeelen, ordelijke instructie zijn middelen, 0111 tot die opheffing te geraken. En opdat die ordelijke instructie kunne plaats hebben, moet de rechtsbetrekking worden omschreven, haar identiteit bepaald. En daarmee nu beginnen de moeilijkheden, want er is géén algemeene formule voor te geven, hoe die omschrijving moet geschieden. Alléén dit is op te merken, dat in vele gevallen de benaming

1) De erkenning-alléén laat ik achterwege.

Sluiten