Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of niet moest bestaan. Wanneer de gedaagde, na ontvangst der dagvaarding, ziet, of moest zien, dat de eischer zich in zijn middelen vergist heeft, weet hij tevens, dat de eischer, hoe eer hoe liever, zal trachten, die vergissingen te herstellen. Zóó, wanneer de naam van het aanvarende schip verkeerd is opgegeven. Zelfs wanneer van een eigenlijke vergissing geen sprake is, doch alléén kan aangenomen worden, dat de eischer zich in eenig opzicht van den stand der zaak een verkeerde voorstelling maakt, is gedaagdes vertrouwen geenszins een onbeperkt beschermwaardig belang. Wanneer toch de tegenpartij de toedracht der zaak wèl kent, mag hij zich niet voorstellen, dat de eischer zich aan zijn exposé dier toedracht zal wenschen te blijven houden, wanneer, naar geilaagdes meening, bedoeld gegeven een absoluut beletsel voor toewijzing van de vordering vormt. Zóó, wanneer in het relaas van liet tot stand komen der overeenkomst, of van de storing in het bezit, onjuistheden voorkomen. Maar naast de moreele overtuiging, dat de gedaagde dan tegen latere verbeteringen géén bezwaren mag inbrengen, rijst de moeielijke vraag, of hij den eischer tot het aanbrengen dier wijzigingen in staat moet stellen?

II. Juist in die gevallen nu, waarin bedoeld vertrouwen niet kan bestaan, raakt het leerstuk der actieverandering het gebied der chicane in het proces. Ten onzent is op het chicaneuse karakter der exceptie in dat geval nooit gewezen, omdat nooit naar de aanleiding tot, maar altijd op den omvang der verandering is gelet. En omgekeerd moet de in Duitschland veelvuldig gehoorde uitspraak, dat aanmerking op verboden Klaganderung bijna altijd chicaneus is,1 al te eenzijdig slechts op de hier beschreven gevallen doelen.

1) O. a. Riimelin ACP 88; 90, 151; Kiihne in Gutarhten DJT XIII, I 21G v, en Verh. II, SSJJ v; Schult/.e in Grünh. Z. 28, 529.

Sluiten