Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefenen invloed op die van de tegenpartij, zoodat na vergelijking der feiten de vraag is: wat is nu waar?

Het antwoord op deze vraag kan eerst geformuleerd worden na vaststelling van het standpunt, dat onze wetgever inneemt in zake de verhouding van partijen tot elkander, en tot den rechter. Wanneer kan worden vastgesteld, dat de partijen als volkomen gelijke grootheden tegenover den rechter staan, volgt daaruit, dat de rechter bij zijn beslissing komt te staan voor twee gelijkwaardige relaascomplexen, waaruit hij de in dit geding bewezen en relevante feiten dient te fixeeren. Wettigen clie feiten de vordering van den eischer, dan moet hem deze worden toegewezen, onverschillig, van wien de mededeelingen afkomstig zijn, die de gronden van de uitspraak vormen.1 In het andere geval vestigt de rechter het oog op het beweren van den eischer, gaat na wat daarvan overblijft na de opmerkingen van gedaagde en na de bewijsvoering, en wijst den eisch toe, als dat beweren, of het restant daarvan, den eisch wettigt. Dat de eerste opvatting breeder is, behoeft geen betoog; in strijd met de bepalingen onzer wet acht ik haar nietEn evenmin doet zij eenigen afbreuk aan de bedoeling, waarmede de lijdelijkheid des rechters is ingevoerd: het wakker nouden van partijen.' Maar primair is in dit systeem de vraag: moet de gedaagde stellen'? Vooral bij volstrekte en niet gespecificeerde ontkenning is dit punt veelvuldig geventileerd. En moet, in het bijzonder, de gedaagde zijn.

1) Schmidt 1,1). i 72 II heeft deze i|uaesiie op hel oog, «Is hij 7.c|tt sie (die Gebundenheit des Gerichts au die Farteibehauptungen) liedcutet keineswegs, da» jede einzelne 1'artei «ieh ausdriicklieh nuf gewisse, geraUt ihr nuUliche Thatsachcn berujeu mussc. Hij spreekt dan van Vertciluug der BchaupUingslast, die op valsche voorstellingen lierust, en vooral met de verdeeling van den bewijslast verward wordt. Zie de gerit, schrijvers.

2> Ik merk hierbij op, dat de bepaling, die ten onzent '«rechters lijdelijkheid sanctioneert, nrt. ÜH2 Rv., van géén middelen, feitelijke gronden, rept.

3» Vgl. Schmidt 1. c.

Sluiten