Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meening over den stand van zaken mededeelen, of m. a. w. in het geding waarheid spreken'?1

Ten deze nu moet een scherp onderscheid gemaakt worden tusschen de verhoudingen van de procedeerende partij tot de wederpartij, en tot den rechter. De eerste is zuiver privaatrechtelijk; de gedaagde is hierbij lijdelijk; zijn eigenbelang zal hem tot antwoorden en bestrijding der daadzaken nopen; doet hij dit niet, of slechts voor een deel, dan zullen de onbestreden gronden voor waar worden gehouden, en de eiscli bij verstek, of wegens ontbreken van tegenspraak worden toegewezen. Een verplichting tot stellen bestaat dus niet; de repressie is zuiver privaatrechtelijk.

De verhouding tot den rechter is echter, volkomen gelijk aan die van den eischer, publiekrechtelijk; voor beide partijen bestaat een identieke verplichting, het staatsorgaan bij de handhaving van het privaatrecht bij te staan.2 Wie het initiatief heeft genomen, is onverschillig; dat het staatsorgaan lijdelijk is, stempelt de verhouding niet tot eene andere. Dit publiekrechtelijk karakter nu verhindert den gedaagde, gespecialiseerde feiten botweg te ontkennen. Wel verre van in dat geval den eischer het bewijs dier gegevens op te dragen, zal de rechter den gedaagde publiekrechtelijk straffen, door hem géén gehoor te verleenen; hij wordt gecenseerd den eisch niet te hebben bestreden, zoodat de eischer in het gelijk kan worden gesteld. -1

Het is deze laatste verplichting, die de wetgever op het oog heeft bij liet gebod aan den verweerder, zijn conclusie

1» Zie daarover Hamaker iti K M XXV, 37 v; en verg. * 17* ö.C. P. O. Uitvoerig Trutter, Roua fides im Civilpr. 7*2 v, met litt., contra Wach, Grünh. Z. 6, 547.

2) Dat het dubbele karakter der procesverhouding niet wordt opgemerkt, is m. i. de oorzaak van het feit, dat ten onzent het procesrecht nog veelal onder het privaatrecht wordt gerangschikt- Niet door Hamaker, W X R 1502. Birkmeyer, Grundriss I 20 ontkent, /.onder motiveering, het hestaan dezer „Zwitternatur". Zie ook Moltzer, Van bewijs in 't algemeen etc., 3*, met aitnhaling van Wach.

8") Zie de talrijke vonnissen in utramque partem, maar hoofdzakelijk de hier verdedigde leer huldigend, bij Leon, ad art. 139 fond' Rv., sub n. 4., spec. 2e suppl. 59 v. Ook nog Rotterdam W. 7*98

Sluiten